Bevindelijkheid in Rotterdam

In de zeventiende eeuw ontstond in Nederland een beweging die zich verzette tegen een al te verstandelijke benadering van het geloof en tegen dorre leerstelligheid binnen de toenmalige Gereformeerde Kerk. Deze stroming werd de Nadere Reformatie genoemd. De nadruk lag op de beleving of bevinding van het geloof door de werking van de Heilige Geest in het hart van de gelovige.
In de negentiende eeuw werd de Gereformeerde Kerk, inmiddels Nederlands Hervormde Kerk geheten, steeds meer beïnvloed door modernistische gelovigen die sceptisch stonden tegenover de heilsfeiten.
Er ontstond een strijd tussen rechtzinnigen en vrijzinnigen die in 1834 tot de Afscheiding leidde.
Nieuwe gemeenten werden gevormd, waarvan een deel samenging als Christelijke Gereformeerde Kerken. Andere afgescheidenen vormden Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis en Ledeboeriaanse Gemeenten. De laatsten waren volgelingen van dominee Ledeboer (1808-1863).

www.geheugenvannederland.nl

Theodorus van der Groe (1705-1784), www.geheugenvannederland.nl

Beide kerkverbanden voelden zich sterk verbonden met de oud-schrijvers uit de zeventiende en achttiende eeuw, zoals Smijtegelt, Lodenstein, Van der Groe, Witsius, Comrie en Wilhelmus à Brakel.
In 1907 verenigde een aantal van deze gemeenten zich onder leiding van de Rotterdamse predikant Kersten (1882-1948) tot de Gereformeerde Gemeenten.

Andere gemeenten bleven hierbuiten, vooral omdat de psalmberijming van Petrus Datheen niet meer in alle gemeenten zou worden gezongen maar de berijming van 1773. Dit leidde tot de vorming van de Oud Gereformeerde Gemeenten onder leiding van dominee Boone (1860-1935) uit St. Philipsland.
Aanvankelijk bleven er ook vrije gemeenten bestaan, die zich dus niet bij een van de kerkgenootschappen aansloten. Dominee Boone preekte ook in deze vrije gemeenten en voor groepen of gezelschappen die op zondag een preek lazen maar geen eigen kerk hadden. Behalve op zondag preekte hij nog drie of vier maal op doordeweekse dagen. Hij is in 98 verschillende plaatsen voorgegaan.

Rotterdam vormde een voedingsbodem voor het ontstaan van vrije gemeenten. Sociale factoren hebben daarbij een rol gespeeld. H.M. Stoppelenburg laat hierover in zijn Kerkhistorische Kroniek (1 december 1969) P.J. Bouman en W.H. Bouman aan het woord, die een studie schreven over Rotterdam.¹ Zij schreven “dat interne zwakte van de protestantse kerken en de sociale gevolgen van de snelle stedelijke expansie in de laatste eeuwen bijgedragen hebben tot de verdere versplintering van de toch reeds ongebonden stadsbevolking.” Velen zouden bij de overgang van streng religieuze plaatsen in Zeeland en Zuid-Holland naar de grote stad in een geestelijk isolement zijn geraakt. De kerken in Rotterdam waren niet voorbereid op de komst van zoveel geloofsgenoten in de periode 1880-1920. Een aantal van deze gelovigen maakte zich los van het traditionele kerkverband en vormde nieuwe groepen onder leiding van lekenpredikers.

Zo was er een gemeente van de Vereniging van Gereformeerden in de Infirmeriestraat, een zijstraat van de Oostzeedijk. Zij kerkte in een voormalig pakhuis. Dominee Jacob van Leeuwen uit Utrecht (1845-1913), oprichter van de Vereniging, kwam hier preken. In 1917 werd Jan Jacob Otte (1869-1923) er oefenaar. Hij werd in 1922 door zijn schoonvader, dominee de Jonge uit Kampen als predikant bevestigd. De naam van de gemeente was toen Vrije Gereformeerde Gemeente. De Jonge richtte in 1922 de Federatie van Oud Gereformeerde Gemeenten op, die in 1948 fuseerde met de Oud Gereformeerde Gemeenten van dominee Boone. De nieuwe naam werd Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Na Otte’s overlijden in 1923 kwam dominee Boone zo nu en dan in de Infirmeriestraat preken. De gemeente sloot zich toen aan bij de Oud-Gereformeerde Gemeenten van dominee Boone.

Ook dominee Baaij (1893-1961) kwam hier wel eens preken. Hij was aanvankelijk predikant van een Vrije Gemeente op Tholen. Later sloten hij en een deel van zijn gemeente op Tholen zich aan bij de Christelijke Gereformeerde Kerken. In 1960 trad hij toe tot de Oud Gereformeerde Gemeenten.
Mensen uit omliggende plaatsen, zoals Capelle aan den IJssel liepen op zondag naar de Infirmeriestraat om daar te kerken. Ik weet uit mondelinge overlevering dat ook mijn latere ouders, Dirk Plaizier en Elsje Bik, en andere leden van de familie Bik kerkdiensten in de Infirmeriestraat bezochten maar ook naar andere predikanten gingen luisteren in en buiten Rotterdam. Zij woonden in Terbregge, een dorp ten Noorden van Rotterdam en liepen dan op zondag naar de Infirmeriestraat, een wandeling van 6 kilometer.

In de periode waarin Otte voorging, werd de gemeente aanzienlijk versterkt door de overkomst van leden van de vrije gemeente aan de Slachthuiskade. In de dertiger jaren kwijnde de gemeente weg. De kerkenraad verzocht op de Algemene Vergadering van Oud Gereformeerde Gemeenten van 18 mei 1938 dominee W.H. Blaak (de opvolger van dominee Boone) en de oefenaars zonder vergoeding te laten voorgaan om zo de kerk van de ondergang te redden. De vergadering ging hier niet op in.
In mei 1940 werd de kerkzaal verwoest door de bombardementen op Rotterdam. De gemeente viel uiteen.

Bevindelijke gelovigen kwamen samen in kerkverband maar er bestonden van oudsher naast (soms tegenover) de kerken ook conventikels of gezelschappen. Een conventikel is een bijeenkomst van een kleine groep gelovigen die de Bijbel lezen, teksten met elkaar bespreken, bidden en geloofservaringen met elkaar delen. Zulke groepen konden een eigen leven gaan leiden en daarmee een bedreiging vormen voor de kerk.
Conventikels stonden vaak onder leiding van charismatische, retorisch begaafde gelovigen die geen theologische opleiding hadden genoten. Ook een vrouw kon geestelijke leiding geven als God haar wilde gebruiken. De samenkomsten konden voor buitenstaanders ongrijpbaar overkomen, vooral ook door het taalgebruik. Men sprak de ‘Tale Kanaäns’, ontstaan uit de omgang met de Statenvertaling van 1637, de psalmberijming van Datheen uit 1566 en het overnemen van zegswijzen en uitdrukkingen uit de achttiende eeuw. De gelovigen grepen vaak terug op de bevindelijke oud-schrijvers.

Vrouw Vonk organiseerde zo’n conventikel in Rotterdam. Hier kwamen gelovigen op zondag maar ook op doordeweekse avonden samen. In de loop van de twintigste eeuw zijn de conventikels vrijwel verdwenen.²

Voetnoten

¹ P.J. Bouman en W.H. Bouman, De groei van de grote werkstad. Een studie over de bevolking van Rotterdam (Assen 1952).

² Voor meer informatie verwijs ik naar: J. van der Graaf, ‘Geschiedenis in ontwikkeling. Gereformeerd kerkelijk leven in Nederland’ in: De Waarheidsvriend, 2-8-1990, p. 2-5; M. Golverdingen, ‘Bewaard en staande gehouden. De ontwikkeling van de Gereformeerde Gemeenten in het verleden’ in: Reformatorisch Dagblad, 8-10-2007, www.dsrkok.nl (26-6-2015); H. Hille, Tweestromenland. De geschiedenis van de Oud Gereformeerden in de eerste helft van de twintigste eeuw (Putten 1996); Karels, Jan-Kees, ‘De smalle en brede weg van het piëtisme. Oud-vaders over het goede leven’ in: Wapenveld. Over geloof en cultuur, jaargang 54, nr. 5, oktober 2004; H.M. Stoppelenburg, ‘De Oud-Gereformeerde Gemeente’ in: Kerkhistorische Kroniek, 1-1-1966, p. 1-7; H.M. Stoppelenburg, Rotterdam. ‘Vrije gemeenten, plaatselijke overzichten IV’ in: Kerkhistorische Kroniek, 1-12-1969, p. 1-9; Joh. Westerbeke, Door water en vuur. Korte geschiedenis van Westkapelle. Brieven van Ds. L. Boone aan Katharina Flipse (Middelburg 1992) p. 71-76, www.theologienet.nl (26-6-2015); G. Roos, ‘“Ootmoed voegt ons.” Historie Christelijk Gereformeerd Tholen beschreven.’ Recensie boek A. Prins, Uw naam bij elk geslacht doen kennen (Tholen 1999). Zie ook www.digibron.nl en www.wikipedia.nl onder conventikels.

Kees Plaizier
augustus/november 2015

 

 

 

2 reacties op “Bevindelijkheid in Rotterdam

  1. Ontzettend boeiend om te lezen. Mijn grootvader was bezoeker/lid (?) van de Vereniging van Gereformeerden in de Infirmeriestraat. Hij schrijft kort na het overlijden van ds. J.J. Otte (deze naam is de juiste spelling!) in 1923 in een brief aan zijn ouders: ,,…ik hield veel van Otte, nog kan ik me niet indenken dat zijn mond voor altijd gesloten blijft.” (Het woordje ‘veel’ heeft mijn grootvader er later tussen/boven geschreven.)

  2. Ik heb een vraag: Is er iets bekend over hoe in de Vereniging van Gereformeerden tegen kinderdoop werd aangekeken. Mijn vader en diens tweelingbroer mochten niet (als baby) gedoopt worden, omdat zij daarvoor te zondig waren…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *