Caspar Coolhaes: een verwante dissenter

Herbers was niet de enige dissenter binnen de Gereformeerde Kerk. Het is interessant om Herbers’ opvattingen te vergelijken met een andere, bekende dissenter, namelijk Caspar Coolhaes, die evenals Herbers een voorloper van de remonstranten wordt genoemd. De verwantschap tussen beiden als het gaat om geloofsovertuiging, hun opvattingen over de rol van de overheid op kerkelijk terrein en hun afwijkend gedrag binnen de Gereformeerde Kerk is treffend. Die verwantschap kan misschien ten dele worden verklaard door hun parallel verlopende beginperiode. Zowel Herbers als de in Keulen geboren Coolhaes verbleven lange tijd in een klooster, Coolhaes als kartuizer monnik in Koblenz. Ook Coolhaes sympathiseerde met de hervormingsbeweging en werd in eerste instantie lutheraan. Hij keerde zich echter tegen de Lutherse avondmaalsleer en werd door de lutheranen in Essen, waar hij enige jaren predikant was, verdreven. In 1574 werd hij gereformeerd predikant in Leiden. Hier kwam hij in conflict met de kerk, vooral omdat hij zich opstelde als voorvechter van overheidsbemoeienis met de kerk. De overheid moest een al te grote invloed van de kerk kunnen indammen. Herbers is op dit terrein minder bekend geworden, maar inhoudelijk zullen er weinig verschillen zijn geweest. Herbers had immers een nauwe band met het Goudse stadsbestuur.

Portret van Caspar Jansz. Coolhaes (1536-1615). De maker van het portret is onbekend.

Zowel Herbers als Coolhaes verzetten zich tegen bindende, door mensen opgestelde geloofsregels. Ze wilden de Heidelbergse Catechismus niet onderwijzen, omdat ze beseften dat geen enkele kerk in staat is om de ware leer te formuleren. Ze waren beiden voorstander van een verdraagzame, publieke kerk voor alle gelovigen. Ze wilden in vrijheid onderzoek kunnen doen en ook boeken kunnen lezen, die door hun ambtsbroeders als strijdig met het geloof werden afgedaan. Predikanten moesten aan hoge eisen voldoen. Ze moesten op Christus wijzen, niet op menselijke instellingen. De al te strenge opvattingen over predestinatie werden door beiden veroordeeld. Gelovigen zouden er maar wanhopig van worden of aan hun geloof gaan twijfelen. Ze maakten een onderscheid tussen een letterlijke uitleg van de Bijbel en de geestelijke betekenis, hoewel Herbers daarin verder leek te gaan. Ze werden beiden wel met het spiritualisme in verband gebracht. Toch bestaan er maar weinig aanwijzingen om ze tot deze stroming te kunnen rekenen. Herbers en Coolhaes vonden weliswaar beiden dat het Woord een geestelijke of verborgen betekenis kon hebben, maar het christelijk geloof werd door hen niet uitsluitend als geestelijk ervaren, zoals bij spiritualisten. Bovendien meenden spiritualisten geen zichtbare kerk en sacramenten meer nodig te hebben.
Beide dissenters kregen te maken met schorsingen. Coolhaes werd ook veroordeeld tot excommunicatie. Tijdens de nationale synode in 1586 werden beiden gerehabiliteerd. Herbers onderging in 1591 nogmaals een schorsing en een aanzet tot excommunicatie, maar werd in 1593 voor de tweede maal verzoend met de kerk.
Er zijn natuurlijk ook verschillen. Coolhaes legde zijn ambt neer na een nieuw conflict met de kerk en vestigde zich als destilleerder van geneeskrachtige oliën in Amsterdam. Hij zette de strijd buiten de kerk voort door middel van zijn vele publicaties. Herbers kon zich binnen de Gereformeerde Kerk handhaven, met steun van het Goudse stadsbestuur. Het grootste verschil heeft betrekking op de verwoording van hun geloofsopvattingen. De mystieke lading van Herbers’ woorden ontbreekt grotendeels bij Coolhaes. Herbers was vervuld van de werking van de Heilige Geest en hij verlangde naar vereniging met God. Op talloze plaatsen in zijn boek Bekentenisse des Gheloofs maakte hij de lezer deelgenoot van dit verlangen. Hij zocht naar de verborgen betekenis van de woorden in de Bijbel, een betekenis die alleen te vinden is door mensen die een proces van wedergeboorte doormaken. Zij ervaren de betekenis door de kracht van Gods Geest. Coolhaes ging minder ver in het geestelijk verstaan van de Bijbel.
Beide predikanten hebben in eerste instantie de Gereformeerde Kerk beschouwd als de kerk die de christelijke vrijheid belichaamde. Deze kerk kwam immers rechtstreeks voort uit de hervormingsbeweging die zich wilde bevrijden van de negatieve eigenschappen van het pausdom. Hun teleurstelling moet groot geweest zijn. Zij zullen het gevoel hebben gekregen alleen maar tegengewerkt te worden door hun ambtsbroeders. Vanuit hun specifieke achtergrond konden deze vrijmoedige mannen waarschijnlijk niet anders handelen dan zij gedaan hebben. Beiden grepen terug op de bron van het christelijk geloof, de Bijbel. Christus was het fundament van hun geloof, dat niet op menselijke ordeningen gebaseerd kon zijn.

Bron: Herman Herbers, Gouds predikant van 1582-1607 (Gouda 2011)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *