Na Vrouw Vonk

Beëindiging contact met Vrouw Vonk

Vrouw Vonk

Vrouw Vonk

Het is mij niet bekend wanneer de contacten met Vrouw Vonk zijn beëindigd.
Volgens Jan Bik (1921), het enige nog in leven zijnde kind van Albertus Bik en Lijntje van Dam, hebben de contacten enkele jaren geduurd. Uit de data van de brieven kunnen alleen voorzichtige conclusies worden getrokken. Ik weet niet of alle brieven of duplicaten bewaard zijn gebleven. De laatste brief in mijn bezit aan het driespan dateert van 3 oktober 1929. De brief van Dirk Bik aan dominee Baaij dateert van 8 februari 1932. De laatste brief van Huijskes aan Vrouw Vonk dateert van 25 december 1929. Er zijn twee overgetypte brieven van dominee Baaij aan Huijskes bewaard gebleven, de eerste is op 26 februari 1931 geschreven, de tweede in maart 1931. Deze brieven tonen alleen aan dat er ook contact was met een oud-gereformeerde predikant uit Tholen, die zo nu en dan in Rotterdam preekte. De laatste brief van Vrouw Vonk aan familie en vriendin dateert van 29 september 1929, een brief aan vriendin Rika. Het is natuurlijk mogelijk dat Dirk Plaizier na 3 oktober 1929 geen brieven of doorslagen meer heeft gekregen van Vrouw Vonk, maar het contact wel doorging. De brieven van en aan Huijskes zijn origineel. Waarschijnlijk heeft Dirk Plaizier deze gekregen na de dood van Huijskes (25-8-1933) van diens zoon Cor.

Een deel van de familie Bik bezocht ook regelmatig kerkdiensten van Oud-Gereformeerde Gemeenten of vrije gemeenten, zowel in Rotterdam als omliggende plaatsen. Deze bezoeken zullen zich ook na beëindiging van het contact met Vrouw Vonk voortgezet hebben totdat men ook hier geen heil meer in zag.
Waarschijnlijk nam Dirk Bik de rol van Vrouw Vonk deels over voor de familie Bik, Dirk Plaizier en Gerard Hogendoorn. Dirk Plaizier kreeg verkering met Elsje Bik (28-10-1914 – 18-8-1997), zus van Dirk Bik. Zij trouwden pas na de oorlog en verhuisden in 1949 naar Charlois, een wijk in Rotterdam-Zuid. Zij waren niet kerkelijk actief. Wel zijn hun beide kinderen gedoopt in de Nederlands Hervormde Kerk, Kees in de Hillegondakerk in Hillegersberg, Bert in de Oude Kerk in Charlois.

Elsje Bik, 22-1-1941

Elsje Bik, 22-1-1941

Huwelijksgedicht Adriaan van Boven

Ter gelegenheid van het huwelijk van Dirk Plaizier en Elsje Bik op 29 oktober 1947 maakte Adriaan van Boven, echtgenoot van Johanna Adriana (Annie) Bik een levensverhaal op rijm. Hierin is veel informatie over Vrouw Vonk en haar aanhangers te vinden maar de toon is zeer kritisch.
Adriaan van Boven schildert Vrouw Vonk in zeer negatieve bewoordingen. Hij maakt een karikatuur van haar. Ook hij is met haar in aanraking gekomen door zijn relatie met Annie Bik. Zij trouwden op 28 januari 1931, allebei 20 jaar oud. Hij komt uit een gezin waarvan de vader lid was van de Gereformeerde Gemeenten van dominee Kersten. Hij schildert Vrouw Vonk alsof hij nog kort geleden contact met haar heeft gehad. Ze heeft blijkbaar een allesoverheersende invloed op zijn leven en op dat van de anderen uitgeoefend. Er spreekt veel rancune uit. God zou door Vrouw Vonk als een bullebak worden gezien in plaats van liefde. Dit beeld klopt niet met de inhoud van haar brieven waarin zij herhaalde malen over Gods liefde schrijft.

Hieronder volgt de passage uit het huwelijksgedicht die betrekking heeft op de ‘Vonkentijd’. Uit de passage blijkt dat het huwelijksfeest in het ouderlijk huis van Elsje Bik werd gevierd.
Ik weet dat mijn ouders ongeveer dertien jaar verkering hebben gehad voordat zij trouwden. De relatie moet dan in 1934 zijn begonnen. Uit het gedicht begrijp ik dat het contact met Vrouw Vonk toen in ieder geval was beëindigd. Elsje en Dirk kenden elkaar al veel langer: van de huisbijeenkomsten bij Vrouw Vonk, maar misschien ook al als dorpsgenoten. De Terbreggenaren vormde een kleine gemeenschap aan de Rotte.

Fragment over de ‘Vonkentijd’

“……………………………………
Zestien werd ze, lieve vrinden,
Een schooner maagd was niet te vinden.
Een roos, een knop, die openging.
Een ieder keek naar ’t frissche ding.
Zelfs ik ben destijds tot de vraag gekomen:
“Heb ik de goede wel genomen?”

Dat Els toch niet aan’t vrijen toog,
Vindt d’oorzaak in een vrouw, die ons bedroog,
Waarvan ik nu veel ga verklappen,
Van haar, dat spook, met al haar vuile grappen.

Voor ‘k verder ga met mijn gekakel,
Zie hier een kiek van dat mirakel!

Karikatuur Vrouw Vonk door Adriaan van Boven, 29-10-1947

Karikatuur Vrouw Vonk door Adriaan van Boven, 29-10-1947

Ze werd genoemd VROUW VONK, zoals ge weet,
Zij was de reden van onmensch’lijk leed.

Eerst wil ik haar omschrijven gaan,
Ge ziet haar dan, als ’t ware, voor U staan:

Ze was vrij kort, maar vrees’lijk vol,
Op ’t eerste oog een tooverkol;
Een feeks, een sater, meer dan ongewoon,
Ontdaan van moois, ver uit den toon.
Haar buik: zòò dik, haar boezem kilo’s zwaar,
Als uiers van een koe, ’t stond o zoo raar.
Voor d’oogen was een bril – en heusch –
Die stond op ’t puntje van haar neus.
De oogen vlogen door den kop,
’t Haar was glad, een knot er boven op!
De tong zèèr lang, scherp als een zwaard;
Zij legde, zei men, ook de kaart.
Doordringend was vooral de blik
Van deze dikke viezerik.
Waarzeggerij was eens haar fort,
Haar dochter Jo hield ze heel kort.
(Dat kind liep weg van moeder,
Zocht haar vermaak ver van dat loeder!)
Haar kleeren waren aan den donk’ren kant,
Aan lichte kleuren had ze ’t land.
Het allermeest hield ze van zwart,
Maar ’t allerzwartst was vast haar hart.
Als tijdpassering deed de zot
Aan godsdienst van een zelfverzonnen god.
Kwaamt gij bij haar dan op bezoek,
Ge zaagt terstond een heel dik boek:
Een bijbel – ’t liefst van Pieter Keur –
Dààrin was toch de meeste fleur!
Met Dirk – ‘k bedoel den boterboer –
Begon al gauw ’t ge-ouwe-hoer.
Eens kwam hij thuis, bleek als een geest,
Hij was weer bij dat wijf geweest.
’t Was spoedig aan hem te bemerken:
Het eerste gif begon te werken.
Hij praatte hier toen alles om;
O, o, wat waren wij toch mèèr dan stom!!
We moesten heel wat tolereeren;
Dat mensch wou ’t zaakje om gaan keeren.
’t Ging zòòver: Eerst ging d’een,
Dan d’ander naar ons heksje heen.
Later zelfs allemaal, behalve ’t hoofd,
Die heeft er nimmer in geloofd.
Des Zondags was het allermeest geklier:
Het leek een ware uittocht hier.
Een optocht heel wat meer dan tien,
Zooiets had men nog nooit gezien.
(‘k Heb later steeds geloofd,
Dat velen wezen naar hun hoofd!)
Voorop, aan ’t hoofd van ’t gekke stel,
Liep Dirk Bik, gelijk een kolonel,
In ’t midden: Moeder Lijn … sjok, sjok ..
Zòò ging het naar het duivelshok.
In Rotterdam werd ’t achterhuis bezet
En dààr begon de Zondagspret:
’t Spook zelf, aan ’t hoofd der tafel,
Begon gauw haar geredekavel.
Eerst bidden – ’t was van korten duur –
Niet langer dan een half uur.
“Och, Heere, Heere”, riep ze luid,
“Pik hier je knechtje toch eens uit;
Laat toch die arme, arme schapen,
Niet langer aan de wereld zich vergapen!”
Dan lezen: ’t groote boek lag tòch gereed,
’t Liefst uit Jesaja, den Profeet.
De preek begon … slaan soms op de tekst,
We werden allemaal behekst.
“O, kindertjes, hoort toch te samen:
De dood klimt in de ramen,
Je oude mensch moet dood;
Je ik – de wereld – in de goot;
Met ongerechtigheid ben je bedekt;
Je vingers zijn met bloed bevlekt!”
Het duizend-jarig-rijk zou spoedig komen;
Het beste was te blijven droomen.
Zij sprak gedurig meer dan fel,
Bij voorkeur over dood, verdoemenis en hel.
God, liefde? Neen! … een bullebak,
Hij stuurt slechts straffen op je dak!
Werken? Glad verkeerd! Vrijen .. ongehoord!
De kerken moesten overboord,
Of ’t moest wezen heel geleerd:
Oud, hèèl oud gereformeerd!
Dus later zag men heel den troep
Bij een bepaalde kerkegroep,
Met geesteshonger, bijna niet te stelpen,
Een wonder slechts zou kunnen helpen.
’t Ging ook naar Kinderdijk, en – reed geen trein –
Dan maar per auto, zelfs tot IJsselstein.
De een of and’re oefenaar
Had er zijn preek al klaar;
En alles uit het hoofd, piekfijn …
Arendsen, Beekman of Kleijn.
Ook zag men ’t clubje sjouwen
Naar Vijverberg, met z’n groote klauwen,
Naar Boone en vooral, vooral naar Baay;
Ja, ja, ’t was alles meer dan fraai:
Men zong daar in ’t algemeen
De vrome verzen van Datheen;
’t Gegalm was wonder groot:
Vier tellen duurde ééne noot.
In huis las men in oude preeken,
Men sprak er van in vele weken,
Over vastzetten van geestelijke “pinnen”,
Bevindingen en stondekes van minne.
En meer nog van dat fraai gezwam
Ons telkens weer ter oore kwam.
Leerredenen van oude meesters: dikke folianten,
Vonden hier hun allerbeste klanten;
Ze werden haast kapot gelezen,
Want ‘de bekeering’ moest volledig wezen.

Die vrouw, het werktuig van den booze,
Had heel de kliek onder hypnose.
Eens heeft ze hier in huis gezeten,
Papa mocht ’t echter heel niet weten.
En toen verzon ’t godsdienstig span
Een nieuwe naam: Vrouw Zondervan.
Ook zat ze wel bij buurman Piet
En zong hiernaast haar onheilslied.
Als allen zaten om den ronden disch,
Kreeg elk een moot van geestelijken visch!

Tòch had haar streven resultaat:
Heel dit gezin ging over straat.
Papa, door dorpsgenooten ingelicht,
Kwam eenmaal thuis met rood gezicht,
Den duivel bij zich – ja, ’t is sterk:
Hij wou ons ramm’len naar de kerk.
Bij zijn gemier en veel gemopper
Hanteerde hij den mattenklopper.
Els werd bewerkt, dat lieve ding,
En honoreerde zòò Pa’s rekening.

Eén onzer – namen noemen doe ik niet –
Zong vroeger ook zijn liefdeslied;
Hij had de zijne trouw beloofd,
Was jaren ook met haar verloofd.
Hij liet helaas zijn liefde gaan,
En hielp, met zich, òòk and’ren naar de maan!

Ik zelf, verloofd met deze schoone vrouw,
Zat meer dan eens knap in de kou:
Gods volk deed immers niet aan vrijerij:
Een doode boel dus tusschen haar en mij.
Begrijpen jullie nù mijn kruis:
Dààrom ging ik steeds vroeg naar huis.

’t Was in een zomer: ‘k verlangde rust,
In uitgaan had ik bar veel lust.
‘k Verzon een plan: Samen naar Limburg gaan,
Maar toen .. toen had ik het vies misdaan:
Vacantie … uitgaan … waren hellezaken:
Voor zooiets moest men zeker waken!
De meesteres beweerde, dat in elk hotel,
Beslist toch was een demon uit de hel,
Op elk vreemd pad, ’t waar’ klein of groot,
Daar loerde zeker wel de dood;
En dreef ik door mijn boozen zin,
Vast ging ik de verdoemenis dan in!
Wij gingen weg, het was geen feest,
Elke zenuw was gespannen door dat beest!
De samenkomsten gingen ondertusschen door,
‘k Hoorde later: Men vergat ons heusch niet hoor!
‘ook die hier niet zijn”, droeg ze op;
“Och, Heere, Heere, breek hun boozen kop!”

‘k Kan alles niet meer weten,
Gelukkig ben ik veel vergeten.
Een booze droom lijkt het nu achteraf:
In elk geval was het voor ons een straf.
Ook ik moest bar, bar veel verduren,
Zoodat ik ’t maar op trouwen aan ging sturen.
De waanzin maakte onzen trouwdag tot een hel,
Van alle kanten was het zaakje in den knel.
Geen bloemen – Geen Bruidsbouquet – Beslist geen feest!
In zwart en donkerbruin is ons tenue geweest.
Zwart de kousen en dito de hoed
Op deze allerliefste snoet.
Getrouwd! … dàt kon men niet verhind’ren;
Goddank! .. wij klaar! .. en nu: drie kind’ren.

Maar hier lag alles stuk, finaal in gruis,
Was er gemaakt een gekkenhuis,
Totdat men ’t eind’lijk in ging zien – en tot besluit
was het met’t monsterdier voorgoed ook uit!

Maar met dit alles gingen jaren heen
En ongedaan te maken is er toch niet één.
Die nuttelooze jaren, die krankzinnigheid
Is nu nog steeds de reden van veel narigheid.
Ook onze Els en Dirk leefden naast het heden
En hebben daardoor, net als wij, geleden.
Wat hun mooiste tijd had kunnen zijn,
Vervloog in moeilijkheid en chagrijn.

Zij dachten niet aan vrijen of aan trouwen;
Hoe zal hun dat op heden nog berouwen!

Gelukkig veranderde zeer veel,
Toen ’t spook was van ’t tooneel.

‘k Zei het al: Dirk had aan liefde nooit gedacht,
Maar op wat anders vast gewacht.
Nu merkte hij, vrij plotseling,
Dat het zòò niet langer ging.
Zijn oogen gingen verder, verder open ….
Toen is hij naar dit huis geloopen
En keek de meiden zo eens aan;
Met Els zou hij best willen gaan.
Wat hij nooit merkte in den ‘vonkentijd’:
Hij zag in haar een hupsche meid.
……………………………………”

Trouwfoto Els en Dirk 291047

Trouwfoto Dirk Plaizier en Elsje Bik, 29-10-1947

Kees Plaizier
augustus 2015

2 reacties op “Na Vrouw Vonk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *