Kerkelijk leven in Stolwijk rond 1600

Kees Plaizier

Inleiding
In 2010 verscheen een vierde druk van het bekende boek van de in 2011 overleden professor A.Th. van Deursen, getiteld Bavianen en Slijkgeuzen; Kerk en kerkvolk in de tijd van Maurits en Oldenbarnevelt. Van Deursen heeft voor het schrijven van het boek zeer veel bronnen geraadpleegd, waaronder notulen van kerkenraadsvergaderingen en classicale vergaderingen. Hij laat meestal de bronnen zelf aan het woord, waaronder ook notulen van de in mijn woonplaats Stolwijk gehouden kerkenraadsvergaderingen.
Voor dit artikel heb ik een aantal wetenswaardigheden over het kerkelijk leven in Stolwijk uit dit boek en uit andere bronnen en publicaties verzameld, die ik graag met u wil delen.

Omvang van de kerkelijke gemeenschap
In 1611 telde de Gereformeerde Kerk – die vanaf 1816 Nederlandse Hervormde Kerk is gaan heten – in Stolwijk 53 lidmaten, in 1620 waren er 69. Het gaat om volwassen leden: de kinderen werden niet meegeteld. Het aantal inwoners bedroeg 1.051 volgens de bevolkingstelling van 1622. Dit aantal had alleen op het dorp betrekking, omdat de buurtschappen afzonderlijk werden geteld. In 1676 was het aantal lidmaten gegroeid tot 234.
Er kwamen wel meer mensen in de kerk dan uit deze aantallen blijkt. Zij werden liefhebbers genoemd en konden, omdat ze geen lidmaat waren, niet aan het avondmaal deelnemen. Ook Stolwijk zal zulke liefhebbers gekend hebben. Ze waren nog niet vertrouwd met alle gebruiken van de Gereformeerde Kerk. Sommigen wilden misschien nog niet definitief met het rooms-katholieke geloof breken. Anderen hadden weinig belangstelling voor het avondmaal, dat maar enige keren per jaar werd bediend. Misschien vonden liefhebbers de drempel om toe te treden – de strengheid van het calvinisme en de gedetailleerde leerregels – te hoog. Bovendien waren de kerkenraden voorzichtig met het aannemen van nieuwe lidmaten.
Veel regenten en gematigde predikanten verzetten zich tegen de hoge drempels en de onverzoenlijke houding van de kerk tegenover andersdenkenden. Zij waren voorstander van een brede, publieke kerk die paste binnen het in die tijd belangrijke principe van concordia of eendracht.

Onderwijzing van de Heidelbergse catechismus
In 1586 werd in Den Haag door de Gereformeerde Kerk een nationale synode gehouden. Hier werd bepaald dat in iedere gemeente de catechismus in de dienst van zondagmiddag moest worden uitgelegd. Niet iedere gemeente hield zich daaraan. In Gouda bijvoorbeeld hadden zowel de predikant Herman Herbers als het stadsbestuur bezwaren tegen de uitleg van de catechismus in een speciale dienst. Herbers wilde alleen op Jezus Christus bouwen, niet op dogmatische menselijke geschriften, zoals de catechismus, waaraan hij geen bindend gezag toekende. Volgens hem werd de Bijbel dienstbaar gemaakt aan de catechismus in plaats van omgekeerd. Het stadsbestuur meende dat de kerkgangers zich zouden ergeren “off uyt swackheydt off doort cleyn ghelooff, dat se aan den Catechismum stellen” en dat dit tot minder kerkbezoek zou leiden. De weigerachtige houding van kerk en stadsbestuur in Gouda was een vast gespreksonderwerp tijdens provinciale synodes.
Er konden ook praktische redenen zijn voor het achterwege laten van de onderwijzing van de catechismus op zondagmiddag. Zo kende nog niet elke plattelandsgemeente een middagdienst of deze dienst werd in de zomermaanden gestaakt, omdat de mannen het dan te druk hadden op het land. Dit laatste was het geval in Stolwijk.

 

Oud-kerkenraadsleden
In Stolwijk was het gebruikelijk om zaken van gewichtige aard in de kerkenraad te bespreken met de oud-kerkenraadsleden erbij. Dit gebeurde niet alleen in Stolwijk, maar ook in andere gemeenten. Het moest dan wel gaan om belangrijke aangelegenheden als de beroeping van een predikant of de beslissing om lidmaten deelname aan het avondmaal te ontzeggen.

Armenzorg
Armen konden een beroep doen op de burgerlijke armenzorg of op de diakenen van de kerk. De burgerlijke armenzorg was in handen van Heilige Geestmeesters. De naam herinnert aan de broederschap van de Heilige Geest, die in de twaalfde eeuw in Frankrijk werd opgericht om armen bij te staan. In Holland kregen allerlei liefdadigheidsinstellingen deze naam. Soms werkten burgerlijke en kerkelijke instanties samen en werden alle inkomsten in één kas gestort. Het gebeurde wel dat de Heilige Geestmeesters in een kerkdienst collecteerden, terwijl ze zelf niet bij de kerk waren aangesloten. In Stolwijk wilden zij graag in de middagdienst collecteren, maar de kerkenraad stond dit niet toe.

Bijbelkennis
Kerkgangers beschikten over een zekere kennis van de bijbel en zullen ook thuis uit de bijbel hebben gelezen. Dit zal ook in Stolwijk het geval zijn geweest. Dominee Rutgers (1612-1616) veroorzaakte dan ook veel opwinding  toen hij preekte over vraag 22 van de Heidelbergse catechismus: de christen is nodig te geloven wat de twaalf artikelen in een hoofdsom leren. De kerkgangers begrepen dat kennis hiervan voldoende zou zijn voor hun geloof. Zij dachten dat het dominee Rutgers er om ging “den luyden den bijbel ende Heilige Schriftuieren wt de hant te nemen, sodat onnodich sij deselve te lesen”. De rust keerde pas weer toen Rutgers duidelijk aangaf dat de gelovige niet alleen bevoegd, maar ook verplicht was om uit de bijbel te lezen, “selfs de ongeleerde en eenvoudige luyden”.

Bijbelkringen
Soms vormden zich met instemming van de kerkenraad studiekringen om de bijbel gezamenlijk te bespreken, zo ook in Stolwijk. De kerkenraad vond dat “het een goede ende godsalige oeffeningh is dat de lidmaten der gemeente bij malcanderen comen om van Gods Heiligen Woirt met malcanderen te spreken”.
Toch stond niet elke kerkenraad, classis of synode positief tegenover zulke kringen. Predikanten waren bang dat de kringen te moeilijke vragen aan de orde zouden stellen, zoals over de voorbeschikking en de vrije wil. Soms kreeg iemand de leiding, die zich als een soort predikant opwierp. De bijeenkomsten kregen dan meer het karakter van een kerkdienst met psalmgezang, gebed en schriftuitleg dan van een bijbelkring. Er werd gevreesd voor sektevorming binnen de kerk.
Voor Stolwijk zullen deze bezwaren niet hebben gegolden. Uit de notulen blijkt immers dat de kerkenraad blij was met de studiekring. Waarschijnlijk zal dominee Rutgers er leiding aan hebben gegeven. Gevaar voor sektevorming zal er niet zijn geweest.

Kerk en kroeg
Op zondagen kon de plaatselijke bevolking niet alleen naar de kerk, maar ook naar de kroeg. De overheid kwam de Gereformeerde Kerk tegemoet door het tappen en schenken tijdens kerkdiensten te verbieden. Maar dit verbod gold niet voor reizigers. De notulen van een kerkenraadsvergadering in Stolwijk uit 1583 bevatten een uittreksel uit een politierapport, waaruit blijkt dat schout en gezworenen bepaalden dat reizigers “twee ofte drie bieren voor den dorst” mochten drinken. Van Deursen schrijft hierover: “Maar dat was altijd nog wel een paar liter en wat lette de reiziger, wiens tijd zeker kostbaar was, zo snel mogelijk weer op te stappen naar de volgende taveerne, waar de dorst hem opnieuw overmande?”

Levenstucht
De Gereformeerde Kerk stelde zich weinig verdraagzaam op als het ging om afwijkend gedrag. De lidmaten behoorden te weten hoe zij moesten leven. Er hadden zich gewoonten ontwikkeld, waaraan de gelovige zich moest houden. In Stolwijk werd een lidmaat tot de orde geroepen, die zich had bezondigd aan een partijtje kolven. De kerkenraad schreef over hem, “dat hij voortaen hem van sodanigen sake, die hier niet van de ledematen gepleecht worde, soude onthouden”.

Kolfspelers op het ijs, 1625; Hendrick Avercamp (1585-1634)

Jacobus Trigland
Van Deursen verwijst regelmatig naar de predikant Jacobus Trigland (1583-1654). Deze dominee preekte tegen de rijken die zich steken in kostbare pronk en tegen de vrouwen die hun hoofd versieren met “toeten ende vremde fatsoenen van cappen”, terwijl het gezegende hoofd van Christus met doornen gekroond werd.
Trigland was predikant in Amsterdam en later in Leiden, waar hij ook hoogleraar aan de universiteit werd. Stolwijk was echter zijn eerste gemeente, waaraan hij van 1607 tot 1610 verbonden is geweest. Hij werd bij familie in Gouda opgevoed, die hem tot priester liet opleiden. Na kennismaking met de hervormingsleer en veel innerlijke strijd verliet hij de Rooms-Katholieke Kerk. Zijn familie in Gouda wilde hem geen onderdak meer geven, waarna hij bij zijn ouders in Vianen ging wonen. Hier werd hij rector en bereidde hij zich voor op het predikambt.

Jacobus Trigland (1583-1654), kopergravure      Cornelis van Dalen

Trigland leefde in de periode, waarin remonstranten (aanhangers van Arminius) en contraremonstranten (aanhangers van Gomarus) strijd voerden over de juiste leer. Ze werden ook wel ‘bavianen’ en ‘slijkgeuzen’ genoemd. Een remonstrants voorman zou vanwege zijn uiterlijk voor ‘baviaan’ zijn uitgescholden. Bovendien is er klankverwantschap tussen ‘baviaan’ en ‘arminiaan’. Het woord ‘slijkgeus’ werd gebruikt voor gelovigen die door weer en wind over modderige wegen naar een kerk liepen in een naburig dorp met een contraremonstrantse predikant.
Arminius en zijn aanhangers hadden minder strenge opvattingen over de predestinatie of voorbeschikking dan de orthodoxe calvinisten. Arminianen wilden geloofsbelijdenis en catechismus herzien en de staat een grotere invloed op de kerk geven om te voorkomen dat de Gereformeerde Kerk een al te dominante invloed op de samenleving ging uitoefenen.
Trigland staat bekend als voorvechter van de gereformeerde rechtzinnigheid en bestreed de remonstranten, die volgens hem misleid werden.

Dolerenden
De calvinisten begonnen zich vanaf 1617 van de remonstranten af te scheiden. De ‘zuivere broeders’ en ‘gezonde predikanten’ gingen hun eigen kerk opbouwen. Het aantal dolerende of afgescheiden kerken groeide. De classis Gouda scheurde op 31 juli 1617. De remonstranten hadden geen goedkeuring willen geven aan de bevestiging van de calvinist Johannes Rosaeus tot predikant in Lekkerkerk “naar de oude orde”. Er ontstond een nieuwe classis, waarbij zich Gouda en Schoonhoven aansloten. Stolwijk volgde een jaar later.
De invloed van de contraremonstranten nam toe, vooral omdat prins Maurits hun zijde koos. In 1618 begon hij in veel steden de wet te verzetten: remonstrants gezinde stadsbestuurders werden door contraremonstranten vervangen. Hij keerde zich tegen de raadpensionaris en remonstrant Oldenbarnevelt en tegen zijn hofpredikant Wtenbogaert. De laatste kon vluchten, maar Oldenbarnevelt werd gevangen genomen, veroordeeld en terechtgesteld. Na de synode van Dordrecht (1618-1619) moesten de remonstranten de kerk verlaten. Velen werden verbannen. Tijdens hun ballingschap richtten zij de Remonstrantse Broederschap op.

Prins Maurits (1567-1625) geschilderd door Michiel Jansz van Mierevelt

Viering van het avondmaal
Aan elke avondmaal gingen onderzoek en beproeving vooraf: de zogenaamde censura morum of onderlinge censuur van predikant, ouderlingen en diakenen. Ook gemeenteleden werden wel bij dit vooronderzoek betrokken. Predikant en ouderlingen bezochten de lidmaten, die werden aangespoord om aan de viering deel te nemen. Eventuele belemmeringen werden besproken.
In Stolwijk was in 1620 een conflict ontstaan over de beroeping van een nieuwe predikant. Van Deursen schrijft: “De gemoederen waren zo verhit geraakt, dat men de communie moest staken.” Pas in 1622 werden de vieringen van het avondmaal hervat. De ouderlingen begonnen al in augustus met hun bezoeken aan de lidmaten ter voorbereiding van het avondmaal in december. De kerkenraad zal beseft hebben dat het langdurig staken van de viering van het avondmaal onder de broeders en zusters op veel bezwaren was gestuit.

Het geloof van de schamele gemeente
Het geloof van de contraremonstranten werd wel gezien als “het geloof van de schamele gemeente”. Van Deursen probeert aan te tonen dat dit niet het geval was. Zo werd de eerste samenkomst van de Brielse dolerenden op de eerste kerstdag van 1616 gehouden met “150 personen van de aensienlickste burgers”. Twee ouderlingen in Moordrecht schoten de dolerende gemeente 113 gulden voor, zeven kerkenraadsleden in Gouda 640 gulden, acht in Schoonhoven zelfs het enorme bedrag van 3.586 gulden en in Stolwijk schoten drie kerkenraadsleden 54 gulden voor.

Schoolmeesters
De Gereformeerde Kerk had veel invloed op benoeming en handhaving van schoolmeesters. Zo werden tijdens de classicale vergadering van 7 oktober 1619 in Haastrecht op grond van een besluit van de nationale synode in Dordrecht door een aantal schoolmeesters de belijdenisgeschriften ondertekend. Sommigen – waaronder Hermen Wandelsen uit Stolwijk – hadden uitstel gekregen. Zij moesten binnenkort in Schoonhoven verschijnen om te verklaren of zij bereid waren aan het avondmaal deel te nemen en om de akte te ondertekenen. Deze schoolmeesters, behalve meester Wandelsen, hielden de zaak nog in beraad. Er werd vanuit gegaan dat schoolmeesters die niet in Schoonhoven zouden verschijnen, weigerden de akte te ondertekenen.
Uit de notulen van de vergadering van 27 april 1620 in Bergambacht blijkt dat meester Heindrick Lambrechtsz uit het Beijersche zijn positie wilde verbeteren. Hij verzocht de classis hem aan te bevelen voor een van de eerste vacante plaatsen. Dit verzoek werd ingewilligd.

Knielen op de graven
Op zondag 10 maart 1613 kwamen enkele vrouwen tijdens de eredienst de kerk binnen om te knielen op of bij de graven van hun overleden familieleden of vrienden. Dit werd beschouwd als een schandelijke in het openbaar uitgeoefende praktijk, die in het verleden dikwijls door de predikanten Simon de Vlieger en Jacobus Trigland was bestraft en tegengesproken, echter zonder effect. Dominee Rutgers voelde zich verplicht deze vrouwen over hun bijgeloof aan te spreken en te vermanen. Hij deed dit bij de plekken waar ze neergeknield lagen, voordat de prediking begon, terwijl er psalmen werden gezongen. Alle vermaningen waren tevergeefs. Naderhand heeft hij de vrouwen vanaf de preekstoel nogmaals vermaand, maar zij wilden niet van hun plaatsen opstaan. Hij was daardoor genoodzaakt om voor God en de gehele gemeente te verklaren, dat deze moedwillige praktijken hem zeer mishaagden. De magistraten zouden deze openbare handelwijze niet dulden. De vrouwen konden in de problemen komen. Rutgers verklaarde bij voorbaat dat hij, de kerkenraad en de gemeente van deze zaak verschoond wilden blijven.
De volgende zondag kwamen enkele van dezelfde vrouwen terug om bij de graven te knielen. Ze werden weer door Rutgers vermaand, waarop een van de vrouwen brutaal reageerde.
Ondertussen was ook de baljuw van Zuid-Holland de zaak ter ore gekomen, waarover hij zeer ontstemd raakte. Hij stuurde een kolfdrager (een met een knuppel of stok gewapende gerechtsdienaar), die de volgende zondag tijdens de prediking de kerk binnenkwam om de vrouwen op heterdaad te betrappen. Maar die zondag was geen van de vrouwen in de kerk. De kolfdrager heeft toen op bevel van de baljuw de vrouwen die de zondagen ervóór moedwillig bij de graven hadden geknield, gedagvaard de eerstvolgende zittingsdag voor het gerecht in Dordrecht te verschijnen, omdat zij zich volgens de plakkaten van de Staten van Holland hadden schuldig gemaakt aan bijgelovige praktijken. De zaak heeft verscheidene malen voor het gerecht gediend. Uiteindelijk is door bemiddeling een schikking getroffen door het opleggen van een schappelijke boete.

Onenigheid over Simon de Vlieger
Hiervoor viel al de naam van Simon de Vlieger, die van 1587 tot 1607 predikant in Stolwijk was. In 1597 wilden enkele lidmaten De Vlieger vervangen, omdat hij onbekwaam zou zijn om zijn ambt te vervullen. De schout, gezworenen en sommige lidmaten van de kerk in Stolwijk hadden echter bij de provinciale synode in Schoonhoven hun beklag gedaan over het voornemen van de classis Gouda om De Vlieger uit Stolwijk te laten vertrekken. Zij waren tevreden met hun predikant. Er waren slechts drie of vier lidmaten die geen genoegen namen met zijn kwaliteiten, ook al waren deze destijds door de classis goedgekeurd. Ze zochten steun bij de synode om hun dienaar te behouden. De synode heeft vervolgens de gedeputeerde van de classis Gouda gehoord, de vier lidmaten die De Vliegers vertrek wilden en De Vlieger zelf, die in opdracht van de synode een preek voor de vergadering hield. De synode oordeelde na rijp beraad dat De Vlieger in Stolwijk mocht blijven en vermaande hem om zijn gaven, die de synode voldoende vond om de gemeente te onderwijzen, tot meerdere stichting van het volk uit te dragen. De verschillende partijen zijn vermaand tot vrede en stichtelijke conversatie met elkaar en met hun dienaar. Johannes Becius [predikant in Dordrecht] en Franciscus Pitheus [predikant in Alphen aan de Rijn] kregen opdracht het besluit van de synode bij de gemeente in Stolwijk bekend te maken en verzoening voor zover mogelijk tot stand te brengen. De classis moest in het bijzonder toezicht houden op de kerk in Stolwijk en op haar dienaar.
In 1606, bijna tien jaar later, oordeelden visitatoren dat “de dienaer der kercke Stolck sijn gemeente met geen goede winninge en diende”. De Vlieger werd voorgesteld van plaats te veranderen nu de gemeente grotendeels was opgebouwd en gesticht. Hij mocht nog blijven totdat hij van een andere plaats was verzekerd. Zover is het nooit gekomen. In 1607 overleed hij en werd hij opgevolgd door dominee Trigland.
Wie meer wil weten over deze affaire kan terecht in het Utrechts Archief, waar zich het Oud Synodaal Archief van de Nederlands Hervormde Kerk bevindt (nummer 1401-677, aanvraagnummer 158, p. 211-258). Ook in het Archief van het ambacht Stolwijk (1667-1811) dat zich in Gouda bevindt (SAHM) zijn stukken over De Vlieger te vinden (archiefnummer 1097, inventarisnummer 317). Deze stukken handelen over de tijdelijke benoeming van dominee De Vlieger, de onenigheid over zijn persoon en continuatie van zijn benoeming. De stukken bestrijken het tijdvak 1587-1597, waaruit blijkt dat de eerste tien jaren in Stolwijk voor De Vlieger (en een deel van de gemeente) niet zonder problemen zijn geweest.

Een verkorte weergave van dit artikel is verschenen in:
Bulletin 136 van de Historische Vereniging ‘Oud Stolwijck’, najaar 2016, p. 10-13.

Gebruikte bronnen en literatuur
Acta Classis Gouda 1605-1606, 1617-1620, bewerkt door Paul Abels (www.paulabels.nl).
Deursen, A.Th. van, Bavianen en Slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk in de tijd van Maurits en Oldenbarnevelt (Franeker 2010).
Plaizier, C., Herman Herbers. Gouds predikant van 1582-1607; Een mystieke weg (Gouda 2011).
Reitsma, J. en S.D. van Veen, Acta der provinciale en particuliere synoden, deel 3 (Groningen 1892-1899) 95. Zie ook www.kerkrecht.nl.
www.dominees.nl.

 

2 reacties op “Kerkelijk leven in Stolwijk rond 1600

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *