Modderaars in Stolwijk en Haastrecht rond 1620

Kees Plaizier

Inleiding
Binnen de Gereformeerde Kerk ontwikkelden zich aan het begin van de zeventiende eeuw twee stromingen, die steeds meer tegenover elkaar kwamen te staan. De remonstranten – aanhangers van Arminius – voeren een gematigde koers, die vooral tot uiting kwam in hun standpunten over de predestinatie of voorbeschikking. De contraremonstranten lieten zich leiden door de strengere opvattingen van Gomarus. Zij kregen – vooral door politieke bemoeienis van prins Maurits – steeds meer de overhand en vormden dolerende of afgescheiden gemeenten. Na de nationale synode van Dordrecht (1618-1619) werden veel remonstrantse predikanten die weigerden een schuldbelijdenis te tekenen, uit de Republiek verbannen. Prins Maurits trok naar de steden om de wet te verzetten. Remonstrants gezinde stadsbesturen werden door contraremonstranten vervangen.
Niet alle contraremonstranten stelden zich onverzoenlijk op tegenover andersdenkenden. Zij toonden zich volgzaam en noemden zichzelf moderaten. De preciezen binnen de kerk maakten er ‘modderaars’ van: predikanten die in hun ogen geen echte contraremonstranten konden zijn.
Tot deze ‘modderaars’ behoorden vader en zoon De Raedt. Livinus de Raedt was predikant in Oudewater en stond daar tegenover de contraremonstrant Lydius. In 1617 werd hij vanwege zijn standpunten overgeplaatst naar Haastrecht. Zijn zoon Adrianus was in dezelfde tijd predikant in Stolwijk.
De notulen van de classis Gouda van de dolerende gemeenten uit de jaren 1618 tot en met 1620 besteden veel aandacht aan deze twee ‘modderaars’. Zij geven een indruk hoe in die tijd met zulke predikanten werd omgegaan. De belangrijkste zaken worden in dit artikel op een rij gezet aan de hand van de notulen van de in verschillende plaatsen gehouden vergaderingen.

Groot-Ammers, 31 mei 1618
Er wordt voor het eerst melding gemaakt van de predikant Adrianus de Raedt. De broeders in Stolwijk vonden, dat hij de vergadering van de dolerenden voortaan moest bijwonen, zoals hij had beloofd aan de baljuw van Zuid-Holland.

Nederlands Hervormde Kerk te Stolwijk

Berkenwoude, 6 augustus
Duidelijk wordt hoe groot de tegenstelling was geworden tussen remonstranten en contraremonstranten. Dominee Bachusius uit Krimpen aan de Lek wilde als lid van de classis worden aangenomen. Hij moest dan wel aan de vergadering van de remonstranten – die hij tot nu toe had bijgewoond – een bewijs van goed gedrag vragen. In de volgende vergadering van de classis moest hij openbare schuldbelijdenis afleggen en beloven zich voortaan christelijk te gedragen, afscheid te nemen van de remonstranten en de leer der waarheid – “van die men noemt contraremonstranten” – te ondertekenen. Een afgevaardigde van de classis moest vanaf de preekstoel bekendmaken dat Bachusius schuld had beleden en als lid van de classis was ontvangen.
Hiertegenover staat het verhaal van Adrianus de Raedt. Ouderling Pieter Adriaensz en diaken Cent Joosten brachten namens de dolerende kerk van Stolwijk beschuldigingen in tegen Adrianus. Hij had niet met de goede broeders van de classis, die bij de oude gereformeerde waarheid bleven, willen vergaderen en had deze classis voor onwettig gehouden. Op de preekstoel wilde hij geen onderscheid maken tussen de opvattingen van remonstranten en contraremonstranten. Hij bekende dat hij dezelfde leer aanhing als zijn vader, vond het niet bezwaarlijk om een arminiaan in zijn plaats te laten preken en had een lidmaat van het avondmaal uitgesloten, omdat deze de kerk verliet toen zijn vader preekte. Hij had de remonstranten beloofd niet tegen hun leer in te gaan en had sommigen vermaand om zowel de boeken van de remonstrant Uytenbogaert als de boeken van de contraremonstrant Trigland te lezen. De afgevaardigden wilden van de classis horen, dat deze redenen voldoende waren om zich van Adrianus af te scheiden. Zij wilden dat de kerk van Stolwijk tot lid van de classis zou worden aangenomen, wat door de classis werd ingewilligd.

Schoonhoven, 2 oktober
Deze vergadering werd namens de dolerende kerk van Stolwijk bijgewoond door Balthasar Jaspersen. De predikanten Johannes Lydius  uit Oudewater en Samuel van den Borre uit Groot-Ammers werden afgevaardigd naar de provinciale synode in Delft, niet omdat ze het eens waren met de remonstranten, maar om de Staten van Holland en de Prins te gehoorzamen. De remonstranten maakten toen nog deel uit van de provinciale vergadering.

Lekkerkerk, 26 november
Besloten werd dat afgevaardigden de baljuw van Zuid-Holland zouden spreken over de wens van de dolerende kerk in Stolwijk dat zij “eenen waren, vromen dienaer d’evangelische bedieninge souden mogen hebben, gelijck tot andere plaetsen geschiet”.

Krimpen aan den IJssel, 12 februari 1619
In deze vergadering werden twee brieven voorgelezen van vader en zoon De Raedt, waarin zij zich verontschuldigden voor hun absentie. Adrianus verklaarde dat hij zijn dienst had opgezegd in verband met de onrust in Stolwijk.

Ouderkerk aan de IJssel, 8 april
Vader en zoon De Raedt waren nu wel aanwezig. Livinus wilde lid van de classis worden. De classis had als broeders van de ‘oude reformatie’ voor Livinus een akte van schuldbelijdenis opgesteld, die werd voorgelezen.

Hendrick Danielsz Slatius (1585-1623), ets Claes Jansz Visscher

Hij zou gesympathiseerd hebben met de remonstranten, het antwoord op vraag 60 van de Heidelbergse Catechismus [rechtvaardiging door het geloof alleen] hebben tegengesproken en een pamflet van de predikant Slatius hebben verspreid. Deze predikant werd in 1622 beschuldigd van betrokkenheid bij een samenzwering tegen het leven van prins Maurits. In 1623 werd hij onthoofd. Livinus wilde een kopie van de akte, maar dat werd geweigerd. Ook Adrianus wilde nu als lid van de classis worden aangenomen.

 

 

Hij had ‘heftich’ om een akte verzocht, maar de classis hield dit verzoek nog in beraad, omdat dominee Lydius – die deze zaak behandelde – afwezig was.

Schoonhoven, 14 mei
Er is een brief binnengekomen van Adrianus de Raedt “vol van heevighe ende onbehoorlijcke prooposten”. Hij schreef weer dat hij niet langer in Stolwijk wilde blijven en zijn diensten had opgezegd.
Drie gedeputeerden van de Zuid-Hollandse synode vroegen de classis waarom zij Livinus en Adrianus de Raedt niet als lidmaten van de classis hadden aangenomen. Zij hadden zich immers verzoend met de gedeputeerden van de synode en de commissarissen van de Staten en de gecommitteerden van de classis hadden die verzoening met het geven van een hand bevestigd. De classis ontkende dit laatste. Adrianus kon geen lid worden, omdat hij nog geen wettelijk predikant van [de dolerende kerk van] Stolwijk was, niet aan de gemeente was voorgesteld en ook niet in de kerkdienst was bevestigd. Bovendien was zijn verzoening zonder betekenis geworden toen hij zichzelf op de preekstoel had verontschuldigd en de contraremonstranten had belast.
Livinus wilden zij evenmin aanvaarden, omdat hij zijn bezwaren tegen een vraag in de catechismus handhaafde en lasterlijke geschriften had aangeprezen als zijnde de opvattingen van de contraremonstranten. Ook zijn schuldbekentenis was zonder betekenis geworden na zijn uitleg dat hij niet de oorzaak van de daarin vermelde voorvallen was. Pas na driemaal vragen, bekende hij alsnog de oorzaak te zijn van alle problemen.

Polsbroek, 11 juni
In deze vergadering werd de schuldbekentenis van Livinus toch voor oprecht gehouden. Hij beloofde de leer van de remonstranten af te wijzen “ende deselve vijant te zijn”. Vervolgens werden hij en Adrianus (de laatste als tijdelijk dienaar van Stolwijk) als lid van de classis aangenomen. Blijkbaar was de classis gezwicht voor de argumenten of druk van de gedeputeerden van de provinciale synode.

Gouda, 2 september
De Stolwijkse ouderlingen Jan Roelen en Adriaen Martensen Brouwer en de gewezen ouderling Balthasar Jaspersen vroegen hoe ze zich moesten opstellen tegenover de diakenen Pieter Claessen en Dirck Joosten. De ouderlingen waren in gesprek met Gabriël de Haes, predikant in Hemmelum, maar de diakenen gaven aan dat het nog tijd genoeg was voor het beroepen van een predikant. De ouderlingen hadden de classis niet ingelicht over hun beroepingswerk. Ook de diakenen bleken met predikanten in gesprek te zijn: Snoeckius en Samuel van den Broeck. Alle gesprekken moesten worden gestaakt. De classis wilde eerst nagaan of een geschikte predikant uit de classis zelf naar Stolwijk overgeplaatst wilde worden. Zo niet, dan moesten drie gedeputeerden adviseren bij de beroeping van een predikant. Kennelijk werd het beroepingswerk niet toevertrouwd aan de nog verdeelde kerkenraad.
De ouderlingen wilden een kopie van de akte van schuldbelijdenis van Adrianus de Raedt, die al op 19 januari 1619 schuld had beleden voor de commissarissen van de Staten en gedeputeerden van de Zuid-Hollandse synode. Er werd besloten dat drie gedeputeerden van de classis de akte in aanwezigheid van de huidige en de oude kerkenraad zouden voorlezen. De gemeente moest door een gedeputeerde op een zondag worden voorgehouden niet meer te twisten over de schuldbelijdenis van haar predikant.
Vreemd genoeg is pas in de notulen van 14 mei te lezen, dat Adrianus zich met de kerk had verzoend en heeft de classis nu pas de schuldbelijdenis aanvaard.

Haastrecht, 7 oktober
Het beroepingswerk was in Stolwijk door onenigheid nog niet veel verder gekomen. Op verzoek van de ouderlingen Jan Roelen en Adriaen Martensen werd dominee Isaac Abbama uit Bercouw ter ondersteuning toegevoegd.
In Haastrecht werd de schuldbelijdenis van Livinus de Raedt aan de kerkenraad voorgelezen. Hij beloofde dat een andere kerkenraad zou worden gekozen volgens oud gebruik, waarin alleen contraremonstranten zouden worden aangesteld.

Nederlands Hervormde Kerk te Haastrecht

Haastrecht, 3 februari 1620
Uit deze notulen valt op te maken dat Adrianus zijn ambt in Stolwijk niet meer uitoefende. De “gewezen predikant van Stolwijk” had verzocht om zijn attestatie. Er waren brieven ontvangen van de baljuw van Zuid-Holland en van predikanten en kerkenraad van Dordrecht. Deze personen hadden zich met de zaak bemoeid, omdat hij zonder attestatie geen nieuw ambt kon uitoefenen. De classis verwees Adrianus voor een attestatie naar de tegenwoordige kerkenraad van Stolwijk. Daarna zou hij ook van de classis een attestatie kunnen krijgen, mits hij de regels van de nationale synode ondertekende. Uit de notulen blijkt dat inmiddels toch Gabriël de Haes was beroepen tot predikant van Stolwijk. De Staten van Holland werd verzocht om zijn salaris vanaf 6 december 1619 te laten ingaan. Blijkbaar was de classis overstag gegaan.

Schoonhoven, 9 maart
Gabriël de Haes werd met het geven van een hand tot lid van de classis aangenomen. Zijn predikambt in Stolwijk heeft hij niet lang kunnen vervullen: hij overleed in 1622, waarna hij werd opgevolgd door Abraham Snoeck, die tot zijn overlijden in 1648 predikant in Stolwijk is geweest. Waarschijnlijk is hij degene met wie diakenen al in 1619 gesprekken voerden.
In dezelfde vergadering kwamen Jonas Erasmus en Pieter Besemer binnen met geloofsbrieven van de burgemeesters van Haastrecht. Zij beschuldigden Livinus de Raedt ervan dat hij ‘bittere’ arminianen in de kerkenraad had aangesteld; arminianen uit Gouda toeliet tot zijn gehoor zonder te straffen; verklaarde nooit van leer te zijn veranderd toen men hem vermaande dat hij anders leerde; meer met vijanden van de waarheid sprak dan met vromen en de officier had beschuldigd een man zonder religie en geloof te zijn. Livinus ontkende alles. De classis had goedgevonden dat Pieter Besemer tegen Livinus optrad, ook al was hij geen lidmaat van de kerk. Zij weigerde om Livinus en zijn kerkenraad een kopie van de getuigenissen te geven.

Bergambacht, 27 april
De predikanten Nicolai (Gouda), Van den Kerchoven (Polsbroek) en Antipas van den Borre (Bergambacht) brachten verslag uit van de handelingen om te komen tot een behoorlijke attestatie voor Adrianus de Raedt. Sommige aanwezigen voelden zich bezwaard, omdat ze meenden in deze zaak wat te ver te zijn gegaan. De classis vond het daarom goed de zaak te laten berusten. Adrianus werd in hetzelfde jaar predikant in Fijnaart.
Livinus had zijn kerkenraad maar voor de helft veranderd. Volgens de dolerende gemeente waren er in de kerkenraad nog arminianen als de ouderlingen Cornelis Anthonisz en Willem de Smit en diaken Jan Jansz. Livinus stemde erin toe zijn dienst te verlaten, maar wilde daarover eerst met zijn ‘huijsvrouwe’ communiceren.

Schoonhoven, 11 mei
Er werd vastgesteld dat Livinus zich heel anders had opgesteld dan hij in Bergambacht had beloofd. Zijn handelingen waren strijdig met elkaar. De dolerende gemeente verlangde ernaar van nu af aan door gezonde dienaren uit de classis bediend te worden en wilde Livinus daarom schorsen.

Jaarsveld, 21 mei
Livinus wilde dat het verzoekschrift van de dolerenden ook aan hem werd overhandigd. Hij wilde nog drie of vier jaren in Haastrecht blijven, omdat hij geloofde nog iets voor zijn gemeente te kunnen betekenen. Hij wilde bovendien een eerlijke attestatie van de classis om binnen zekere tijd naar een andere plaats te kunnen uitzien. Veel broeders waren uit de vergadering opgestaan om huiswaarts te keren toen de zaak Haastrecht ter sprake kwam, zoals de broeders van Gouda, Schoonhoven, Stolwijk en Polsbroek. Voorzitter Samuel van den Borre, scriba Johannes Croon en dominee Lydius vroegen de broeders bij de vergadering te blijven of anders goed te keuren wat in de zaak Livinus zou worden besloten. Hiermee stemden allen in.
De binnengeroepen Livinus werd verzocht zich aan de genomen besluiten te houden en om Christus wil de raad van de classis te volgen. Hij vertelde, dat hij al enige plaatsen op het oog had en binnen zes maanden uit Haastrecht wilde vertrekken. De classis zou voor een eerlijke alimentatie zorgen als hij dan nog geen andere plaats had. Om verdere uitvluchten te voorkomen, werd door de broeders een akte opgesteld, die door Livinus werd ondertekend. De broeders zijn na aanroeping van Gods heilige naam in vrede gescheiden.

Schoonhoven, 15 juni
Livinus wilde een kopie van de in Jaarsveld ondertekende akte. Dat kon, “mits dat dezelve bij hem niet ter quader trouwe misbruyckt en werde”.
In Haastrecht was er onenigheid tussen enkele lidmaten. Afgevaardigden uit Gouda, Schoonhoven en Stolwijk werden aangewezen om aldaar de vrede te herstellen.

Nieuwerkerk aan den IJssel, 5 oktober
De dolerende broeders in Haastrecht hadden meerdere malen laten weten, dat ze een andere predikant wilden. Ze moesten zich voorlopig rustig houden. De classis zou naar behoren voorzien in een andere predikant. Vanaf 22 november zou Haastrecht bediend worden door predikanten uit de classis, waaronder ook Gabriël de Haes uit Stolwijk. De data werden tot 8 maart 1621 vastgelegd.

Gouda, 2 november
Visitatoren brachten verslag uit van hun pogingen om in Haastrecht de vrede tussen enkele lidmaten te herstellen. De kerkenraad beschuldigde Jonam de Raes en Jan van Dommelroode. Zij zouden trouweloos hebben gehandeld, omgegaan zijn met wereldse mensen en de kerkenraad voor arminianen hebben uitgemaakt. Het schriftelijk bewijs was te schandelijk, gruwelijk en oneerlijk om voorgelezen te worden. Ouderling Wilm Cornelissen Smit en diaken Claes Cornelissen wilden van hun dienst ontheven worden. De last die zij moesten dragen, was te zwaar geworden. Zij hadden nu een jaar lang gediend en de tijd van verandering was gekomen. De classis ging akkoord met de beëindiging van hun dienst. Zij beloofde hulp aan Livinus bij het verkrijgen van een alimentatie als hij de onenigheid in Haastrecht naar vermogen probeerde bij te leggen en de vrede bevorderde. Hij wilde vertrekken zodra de alimentatie was geregeld. Op 5 november zou een delegatie naar Haastrecht gaan om orde te brengen in het verkiezen van een nieuwe kerkenraad en om ervoor te zorgen dat de diaconie geen schade zou lijden.

Haastrecht, 30 november
In deze vergadering werd geen aandacht meer besteed aan Livinus. Wel liet de oude kerkenraad van Haastrecht van zich horen. Zij ging niet akkoord met de verkiezing van Jacob Sijvere tot ouderling, omdat hij onbekwaam zou zijn. Hij was met een vrouw van lichte zeden, die met een andere man in overspel had geleefd, hertrouwd. Hij had die vrouw beloofd binnen zes weken uit Haastrecht te vertrekken, omdat hij zijn nering niet in die plaats had. Hij had met ‘lichtvaerdicheyt’ en ‘tabackdrincken’ in zijn huis velen aanstoot gegeven. Onlangs nog had hij verzocht het “geckenvel van de rethorijckers” [zotskap van de rederijkers] te mogen dragen.
Sijvere verweerde zich en zei dat de magistraten geëist hadden, dat hij de dood van de voormalige man van zijn vrouw zou bewijzen. Hij zou de armenmeesters problemen bezorgen als er kinderen zouden komen en voor overlast in Haastrecht zorgen. Hij ontkende dat hij de tijd van zes weken genoemd zou hebben en dat hij ooit “nae de cappe [zotskap] gestaen en gesolliciteert sou hebben”. De oude kerkenraad werd opgelegd de beschuldigingen met voldoende getuigenis te bewijzen. Bij gebrek aan bewijs zou Sijvere tot het ambt worden toegelaten en diende de oude kerkenraad het stilzwijgen te bewaren.

Slot
Zo eindigde deze onverkwikkelijke geschiedenis van twee ‘modderaars’ in Haastrecht en Stolwijk. Zij werden de dupe van hun gematigde houding, waarmee zij zich verzetten tegen de kerkscheuring die zich in hun tijd voltrok. Het is niet bekend hoe het leven van Livinus verder is verlopen. Hij wordt na 1620 niet meer als predikant vermeld. Haastrecht krijgt in 1621 een nieuwe predikant: Samuel van den Borre uit Groot-Ammers. Adrianus is nog in diverse plaatsen predikant geweest: Fijnaart (1620-1623), Jutphaas (1623-1626), Tiel (1626-1633) en Arnhem (1633-1636) waar hij is overleden.

Gevelsteen, ingemetseld in het torenportaal van de Nederlandse Hervormde Kerk in Stolwijk

Gebruikte bronnen en literatuur
Acta Classis Gouda 1605-1606, 1617-1620, bewerkt door Paul Abels (www.paulabels.nl).
Deursen, A.Th. van, Bavianen en Slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk in de tijd van Maurits en Oldenbarnevelt (Franeker 2010).
Plaizier, C., Herman Herbers. Gouds predikant van 1582-1607; Een mystieke weg (Gouda 2011).
www.dominees.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *