Familie e.a.

Inleiding

Vrouw Vonk

Vrouw Vonk

Vrouw Vonk schreef niet alleen aan het Driespan en aan Willem Huijskes maar ook aan familieleden, een vriendin en aan dominee Boone. Doorslagen hiervan zijn bewaard gebleven. Hieronder volgen brieven aan vriendin Rika, aan broer Gerrit, zus Gretha, dominee Boone en aan een zekere Eduard, misschien een neef.
Opvallend is de tegenstelling die zij creëert tussen Mina nu en Meintje toen: Mina walgt van Meintje. Ze verbaast zich erover “dat de Here naar zo’n monster van goddeloosheid heeft willen omzien”. Veel mensen die haar hebben gekend zullen verbaasd zijn over de Mina van nu. Ze heeft zwaar gezondigd en draagt haar oude natuur nog met zich mee. Haar hoofdzonde is drift. Ze vraagt zich af hoelang ze zichzelf nog moet verdragen. Ze is altijd zwaarmoedig.

Die zwaarmoedigheid betrekt ze niet alleen op zichzelf. De mens vindt in zichzelf niets dan de dood. De mens kent God niet omdat hij van Hem vervreemd is. Land en volk staan op het punt te vergaan.
Ze heeft alle hoop gericht op haar kringetje van mensen voor wie ze kan ‘opgaan’ tijdens de bijeenkomsten bij haar thuis. Ze schrijft over het driespan (Dirk Bik, Dirk Plaizier en Gerard Hogendoorn) in brieven aan Eduard en Rika. Ze heeft hoge verwachtingen van dit driespan: “Tot nog toe heb ik ze alle drie” en ze hoopt dat ze ze mag houden tot haar einde. Ze liggen haar na aan het hart en ze zou ze mee willen nemen als ze ‘dit tranendal’ mag verlaten.
Dominee Boone draagt ze een goed hart toe. Haar kring stond blijkbaar niet helemaal los van het kerkelijk gebeuren.

Brief aan vriendin Rika

Rotterdam, 12-5-1929

Wel mijn beste Rika,

Je zal wel zeggen: eindelijk krijg ik een lettertje van Mina. Ja, mijn beste, wat zal ik je zeggen. Ik onderhoud nog zelf mijn klein huishoudentje. Je weet: ik kan niet tegen vuil. Maar ik kan het vanwege mijn lichaamsgestel haast niet meer en hoe is dan een mens als mens.
De ene tijd is hij boos op zichzelf, ja op alles, dan is hij weer bedroefd. Dan is een mens niet geschikt om te schrijven. Maar de Here zal op Zijn tijd de weg banen dat ik dat niet meer hoef te doen, want ik kan niets meer doen als schrijven, praten en de Schrift lezen, alleen Gods lof vermelden.
Bovendien, mijn beste, heb ik veel te schrijven. Ik kan een ieder niet eens op tijd antwoorden.
Omdat ik gisteren weer aan mijn lichaam ondervond dat mijn tijd nog maar kort is¹, wilde ik je toch nog even een lettertje doen toekomen.
Ja mijn beste, de tijd is kort. Al zou ik dit zwakke en pijnlijke lichaam (ja soms erg smartelijk) nog jaren moeten dragen, toch is de tijd kort vergeleken met de eeuwigheid.
O, die eeuwigheid, niet waar mijn beste, wat zien onze zielen daar reikhalzend naar uit om Hem van aangezicht tot aangezicht te zien, verzadigd met zijn goddelijk beeld. Ik zeg verzadigd, omdat wij hier onmogelijk verzadigd kunnen worden. Is het niet zo, Rika? Want hoe meer een mens van Hem geniet, hoe meer dat men genieten wil. Dan zullen wij Hem zien in wie wij geloofd hebben.
Vanmorgen mocht ik in mijn bedje weer eens het Onze Vader bidden. In waarheid bidden ‘Uw Koninkrijk kome’ en met vele tranen. Och wanneer. Het is mij verreweg het beste om ontbonden te zijn en met Christus te zijn, mijn Koning, mijn Priester, mijn Profeet, mijn Joël², mijn Borg, mijn Oudste Broeder, mijn, ja Rika wat zal ik zeggen, mijn alles, mijn leven van mijn leven. Hij schenkt mij het leven.
Het heimwee naar huis houdt mij de laatste tijd veel bezig, maar als de Here wil dat ik blijf om een bruikbaar werktuig in zijn hand te zijn, om met woord en schrift in Zijn Wijngaard te werken: o, Zijn wil geschiede. Dan zal Zijn eigen werk ook vrucht dragen.
Het is mij zo heerlijk altijd over Hem te spreken en te schrijven. Het is mijn leven. Het jouwe toch ook, niet waar? En als het nu hier ons leven is, wat zal het daar straks zijn als wij verlost zijn van het zondige lichaam dat niet anders is als zonde. Dat de ziel vrijuit mag gaan, niet meer gekweld door duivel, dood en hel. O, Hij is het zo waard omwille van Zichzelf.
Deze week lag ik op een nacht wakker – dat gebeurt mij nogal eens – en werd ik gebracht bij Gethsémané.³ Denk erom, Rika: er bij; erin kunnen wij niet komen want Hij heeft de ‘pers’ alleen gestreden en niemand van de volken was er met Hem.
Maar erbij gebracht en onder hete tranen moest ik in smart uitroepen: “O, wat heb ik u gekost. O, wat heb ik u gekost.” Dat heb ik wel honderd maal gezegd: “O, wat heb ik u gekost.” Daar krijgt men te zien hoe duur wij gekocht zijn terwijl wij Hem die drinkbeker op Zijn hand zetten met al onze vuile zonden. Men wordt dan verwaardigd een blik te mogen slaan in die beker. Wat een smart ondervindt een ziel dan.
O, dat heb ik gedaan. Wat walgt de mens dan van zichzelf. O, wat een walging der walgingen heeft een mens dan van zichzelf. Kon hij zichzelf uitwalgen, hij zou het doen, maar nee, dat kan niet.
De Here neemt hem zwijgend aan. Hij zwijgt altijd in Zijn liefde. Nee, geen enkel verwijtend woord heb ik gehoord uit Zijn mond. Alleen: “Vader indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan maar niet Mijn wil geschiede.” Hij heeft Hem geledigd en toen Hij mijn zonden in zich opnam, moest Zijn heilig bloed uitgeperst worden want dat heilig bloed kan geen gemeenschap hebben met mijn zonden.
O, Rika, volg mij eens. De zonden in zich opgenomen. Sta eens even met je ziel erbij stil wat ik Hem gekost heb. O wat heb ik Hem gekost. Zou dan de ziel die Hem zoveel gekost heeft niet dankbaar zijn?
Hier moet ik even eindigen want het grijpt mij nu teveel aan. Ik kan niet verder.
Nu, een dag later, vervolg ik je brief en ben van de smart in de dankbaarheid geleid.
O, wat zal ik daarvan zeggen? Kan men dat bespreken? Ik kan niet dankbaar zijn zoals ik het zou willen.
Ik heb het zo wel uitgedrukt: Kon ik nu eens even het zondige lichaam uit om Hem in de volmaaktheid dankbaar te zijn. In dit zondige lichaam kan ik de Here niet naar zijn plek brengen. Ik kan Hem niet naar waarde schatten. Maar straks, Rika, als ik dit zondige lichaam af mag leggen, mag ik Hem in de volmaaktheid loven, ik de grootste der zondaren. O, wat zullen er veel mensen die mij gekend hebben, verbaasd zijn. En ik, ik zal niet stoppen mij te verwonderen. Zo Eén, zou men niet liefhebbend en huilend achter Hem aan gaan? Och Here, hoe lang nog?
O Rika, Hij is het zo waard omwille van Zichzelf. Ik zeg nogal eens: “Here, je weet alle dingen, je weet dat ik je liefheb boven alles.” Noch de smart over de zonde, noch de dankbaarheid aan mijn Koning, Priester en Profeet, noch de liefde tot, in en door Hem kan ik uitdrukken. Dat laat zich niet bespreken. Niet waar, Rika? Nee, dat gaat niet. Niet waar?
Zou ik de wereld niet haten met al wat erin is? Ja, ik moet dwars door de tenten van Kedar.⁴ Ik maak van de wereld zo min mogelijk gebruik, niet meer dan hoogst noodzakelijk is want het is voor mijn weg werelds gewemel. Ik moet naar de Hemel.
Je kan niet bevatten hoe rijk ik toch ben. Ik heb alles verloren en Jezus verkoren, wiens eigen ik ben. Ja Rika, ik heb alles verloren. De Here heeft het zo beschikt dat ik niets overgehouden heb als Hem alleen. Hij heeft het mij jaren geleden gezegd: “Je zal niets overhouden dan Mij alleen.”
Stuk voor stuk heeft de Here mij alles afgenomen. Dat is o zo pijnlijk voor het vlees, o zo pijnlijk maar door lijden geheiligd. Het vlees moet gekruisigd worden. Eerst nam de Here mijn gehele familie af. Zij verwijderden zich van mij en houden zich van mij verwijderd. Toen nam de Here mij mijn man af en gaf hem aan een andere vrouw. Toen zette de Here mij in de diepste armoe waar nooit een mens van geweten heeft. Toen nam de Here mij mijn gezondheid af, bracht mij maanden in het ziekenhuis, liet mij er in december weer uit komen: geen geld, geen woning en nooit meer mijn brood kunnen verdienen. Toen nam de Here mijn pleegdochter af, die ik als kind van 12 dagen tot haar 20ste jaar grootgebracht had. Zij verliet mij, ik hulpbehoevende, 2 januari om zich bij Roomse mensen te voegen om met een van de jongens te huwen.
Zo heeft de Here mij alles afgenomen maar (Eben Haëzer) God is getrouw en heeft mij door alle druk en kruiswegen heen geholpen. Ik ben de Here er zo dankbaar voor want nu heb ik Hem over en daarom zeg ik nu: de Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam van de Here zij geloofd.
Het heeft mij ontzettend veel gekost want het vlees wil van het vlees niet scheiden. Diepe, zeer diepe wegen heeft de Here met mij genomen. Wat een verdrukking. Maar Rika, ik zeg je dat de Here in de verdrukking het dierbaarst is. De verdrukking is niet dierbaar want dan was de verdrukking geen verdrukking, dan was het lijden geen lijden. Maar de Here is zo dierbaar in de verdrukking.
O, ik heb zoveel geleden maar ik heb geleerd door Gods genade te zien naar de roede en degene die haar besteld heeft en ik heb geleerd de roede te kussen waarmee ik gekastijd werd en te bidden voor mijn vijanden en – gelijk mijn dierbare Koning Jezus – ook midden in de verdrukking uit te roepen: “Here, reken hun de zonde niet toe want zij weten niet wat zij doen.”
Want, Rika, ik heb vele en bittere vijanden. Zij nemen dagelijks toe die mij zonder oorzaak haten. Ja, mensen die mij nooit gezien hebben, lasteren mij op de schandelijkste manier en noemen mij de pest.
Maar ik heb aan mijn Here en mijn God genoeg, ja alles. Er zijn weinig mensen die zulke diepe wegen ontvangen.
Rika, jij kent mijn hele leven dat ik veel liefgehad heb. Ik heb zwaar gezondigd. Dat weet jij zeer goed. Daarom moest mij veel vergeven worden en Hij die veel vergeven heeft, heeft veel lief.
O, ik heb het wel dikwijls gezegd: “Och, Here, laat het mij nog eens even toe dat ik uw voetjes natmaak met mijn tranen en afdroog met mijn haar.” Dan moet men diep voor de Here bukken. O, Rika, wij kunnen niet diep genoeg voor de Here bukken. En zulke wezens, waar ik er een van mag wezen door Gods vrije genade, o die bukken zo graag diep voor de Here. Dat is hun dierbaarste plekje aan Jezus’ voeten. Daar is hij ook het veiligste.
Nu, Rika, voor vanavond moet ik er weer mee ophouden. Het is al weer laat geworden en ik wil nog een paar brieven schrijven. Ik beloof je dat ik je niet meer zo lang zal laten wachten.
Zo zou ik kunnen spreken als ik een wil had maar omdat ik volkomen afhankelijk ben zeg ik: “Zo de Here wil en wij leven.” Dat volkomen afhankelijk zijn van de Here is zo’n rustig en vredig leven als de ziel zich daarin oefenen mag om altijd bij alles te zeggen: “Zo de Here wil.”
Ik kan je verklaren dat de Here mij altijd op mijn weg tegengekomen is. Al wat ik wilde brak de Here af en wat Hij wilde stelde Hij daar.⁵
Dat was heel smartelijk voor mijn vlees want mijn vlees zocht altijd het gemak voor mijn vlees. Maar zo niet de Here. Hij zoekt het heil voor de ziel en kruisigt het vlees. Dan komt pas de vijandschap voor de ziel openbaar als God zijn volk gaat beoorlogen. Hij doet juist anders als zij willen. Hij luistert niet naar hun gebeden, noch naar hun tranen, noch geeft hij iets uit Zijn Woord voordat Hij zijn volk overwonnen heeft.
Dan zegt David: “De gebeden van David hebben een einde.”⁶ Dan bidt de Geest van God in hen met onuitsprekelijke verzuchtingen. Dan krijgt de ziel verstand van kermen als hij klaar is met bidden om bekering en de Here hem daarstelt⁷ als een geheel onbekeerd mens.
Dan weet hij pas dat hij een zondaar voor God is en blijft hij achter in de tempel staan en roept: “O, God, wees mij zondaar genadig.”⁸ Dan is het Gods tijd om te zeggen: “Deze gaat gerechtvaardigd naar huis.”⁹
Och, Rika, een zondaar wordt door God bekeerd. Die maakt ze onbekeerd en daar ligt hun bekering in.
Nu, mijn beste, ik moet afbreken terwijl ik in mijn gedachten veel bij je ben en ik weet, jij ook bij mij.
Je sprak over Amsterdam. Nee, mijn beste. Ik geloof dat mijn weg daar nooit zal liggen.
Nu de groeten van, zeg jij het maar,

W.H.M. Vonk

Brief aan broer Gerrit

Rotterdam, 14-5-1929

Wel, Gerrit, eindelijk zal ik je antwoorden op je brief. Je moet er mee rekenen dat ik veel brieven krijg en veel schrijf en nooit aan wereldse mensen, behalve als dit hoogst noodzakelijk is.
Welnu dan, je vraagt mij of ik die fotootjes ontvangen heb. Ja, ik heb ze met aandacht bekeken.

Fragment brief Vrouw Vonk aan broer Gerrit d.d. 14-5-1929

Fragment brief Vrouw Vonk aan broer Gerrit d.d. 14-5-1929

Dat ventje lijkt sprekend op zijn moeder en toen ik dat fotootje van zijn graf in mijn handen had en je mij geschreven had dat het een eigen gekocht graf was (wat zich goed laat aanzien, het is prachtig) en je mij schreef dat jij en je vrouw daar ook in bijgezet zouden worden (wat niemand weet), viel het mij in het vlees en werd ik bedroefd. Ik voelde mij eenzaam en verlaten en sprak: “Och, Here, maar ik nu. Mijn vader een eigen graf, mijn broer een eigen graf.”
Ik werd bitter bedroefd. Toen ik zo ernstig ziek was, wilde ik bij mijn vader bijgezet worden want mijn vader en ik hebben dezelfde God, niet de God van deze eeuw.
Dat kon want er kunnen er nog twee in en ik ben een eigen kind. Maar mijn dochter was er op tegen want zij sprak: “Moe, dan kan ik nooit uw graf bezoeken.” Nu, nota bene, verlaat ze mij bij mijn leven voor een Roomse jongen.
Maar terzake. Zoals ik zeg, was ik erg bedroefd en voelde mij zo verlaten maar dat duurde niet lang. De Here liet mij zien dat Hij mijn graf al gekocht had in de stille eeuwigheid, waar Hij zijn Vader gehoorzaamheid beloofd heeft en mijn graf gekocht had met Zijn Heilig bloed voor 30 zilverlingen.
Judas, die Christus verried met een kus (voor 30 zilverlingen) riep na berouw uit: “Ik heb verraden onschuldig bloed.” Hij wierp de 30 zilverlingen in de tempel, dat is het hart van God. Daarmee werd de bloedakker gekocht want hij werd gekocht met het bloed van mijn Borg, een graf voor vreemdelingen.
Is Gods volk geen vreemdeling op aarde? Nu, daar wordt ook alleen Gods volk begraven in het hart van God, betaald door Christus’ bloed. O, wat smolt ik daar onder weg. Dat graf is niet te koop voor geld en omdat de Here zo bijzonder voor mij zorgt en in al Zijn Waarheden leidt, zou Hij dan niet voor de begrafenis van mijn lichaam zorgen? Daar waar zijn gedienstige Geesten waken over het stof van Zijn volk?
O, mijn ziel sprong op van vreugde in de God van mijn heil. Het is een nieuw graf dat al besteld was in de stille eeuwigheid. En dan niet alleen begraven worden maar ook met Hem opstaan.
Nee, Gerrit, je kent je zuster Mina niet, wel Meintje, die wel. Daar is niets aan want Mina walgt van Meintje. Want Meintje wordt nooit begraven in het hart van God, wel Mina.
Gerrit, kan je mij wel verstaan? Ik weet het niet.
Ken je de tweeling van Rebekka, Jakob en Ezau? “Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb ik gehaat.”¹⁰ Ezau was de oudste (Kaïn was ook de oudste) maar de Here sprak van Ezau: “De meerdere zal de mindere dienen.”¹¹ Dat is zo. Nooit zal de oude mens heerschappij voeren over de nieuwe mens. Ezau heeft immers zijn eerstgeboorterecht verkocht aan Jakob. Toch wil hij de zegen wegdragen, maar dat gaat niet. Nu zal de meerdere de mindere dienen. Jakob heeft nu het eerstgeboorterecht en Christus is de eersteling uit de doden. Dat volk, dat zich dat voor Zijn ziel bewust is, weet ook dat de verkiezing in Christus ligt en dat Hij Zijn volk niet alleen meeneemt in de dood maar ook roept: “Sta op uit de doden en Christus zal over u lichten.”¹²
Nee, Mina weet dat de Here over haar waakt, nu en in eeuwigheid. Vanmorgen mocht ik het weer eens horen: “Ik zal u verlichte ogen van het verstand geven.”¹³
Wat is het toch heerlijk wanneer een mens tot de wetenschap komt dat hij niets weet. Dan weet hij pas dat de Here alles weet en dat hij het zelf niet is maar de Here. Wat een voorrecht.
Nu, een veertien dagen later vervolg ik je brief.
Zo, Gerrit, er wordt zoveel besproken dat nooit beleefd wordt. Er wordt zoveel gebabbeld maar zo weinig geknabbeld. Vannacht lag ik op mijn bedje en zag hoe ver het mensdom van God af is. O, Gerrit, wij zijn zo ver van God af. Ik riep uit: “Het is enkel vrije, vrije, ja vrije genade, die eeuwig Hem bewoog.” Daarom, Gerrit, is het een eeuwig wonder dat Hij er nog één heiligt. O, dan zakt een mens van schaamte en schande in het niet weg. Dan heeft niets geen waarde meer dan Hij alleen.
Daarom is een greep uit Gods liefdeshart (zegt een oud-schrijver) uitgestort in ons hart een onuitsprekelijke liefde. Het is de liefde van God, die zich niet bespreken laat maar wel beleven.
Het ware, levend gemaakte volk en bevindelijk levend volk is zo klein. Er is zo weinig leven, o, er is zoveel pratend christendom: wel de lamp bezitten maar niet de olie. Daarom kan mijn ziel nooit ophouden zich te verwonderen. Daar heb ik de eeuwigheid voor nodig.
Dat de Here naar zo’n monster van goddeloosheid heeft willen omzien! De hemel zal ervan daveren als zij binnen mag komen. Ik zou Hem zo graag dankbaar willen zijn in de volmaaktheid, maar zolang ik in dit zondige lichaam ben, kan ik het ten dele. Straks, als het vogeltje het kooitje uit mag, dan zal ik verzadigd worden van Zijn goddelijk beeld.
Nu, Gerrit, zal ik weer eindigen want over de eeuwigheid kom ik nooit uitgepraat.
Ik wilde je vragen of je in de gelegenheid bent aan een Statenbijbel te komen van Pieter Keur. Ik heb er wel een van Cornelis Musch maar ik wil er zo graag een hebben van Pieter Keur. Heb jij nog vaders preken van Kohlbrugge?¹⁴ Laat ze mij dan lezen.
Het boek waarover je sprak, heb ik wel meer gelezen, maar ik lees à Brakel¹⁵ en Philpot¹⁶, hun beider portret heb ik hangen, Smijtegeld¹⁷, Myseras¹⁸, De toetssteen der ware en valsche genade van Van der Groe¹⁹ en al die oud-schrijvers meer. Kranten of historische boeken lees ik nooit. Ik lees veel in de oude Statenbijbel. Dat is mijn lust en mijn leven.

Statenbijbel uit 1729, gedrukt door Pieter en Jacob Keur te Dordrecht, www.geheugenvannederland.nl.

Statenbijbel uit 1729, gedrukt door Pieter en Jacob Keur te Dordrecht, www.geheugenvannederland.nl.

Zondags om vier uur krijg ik volk tot elf uur en dan wordt er niets anders verhandeld als de Schrift. Idem dinsdagavond van 7 tot 11 uur, donderdagavond en zaterdagavond. En dan mijn volkje dat de gehele dag nog af en aan loopt. En niets anders als de Schrift want de wereld is mij tot een last.
Ik kom al enige jaren niet op straat. Ik ken de wereld niet en mensen uit de wereld komen niet bij mij. Ze hebben niets aan mij en ik niet aan hen.
Nu, Gerrit, ik mag eindigen want dadelijk komt mijn volkje. Ik zal je nog eens melden welk stuk wij uit de Bijbel behandeld hebben als ik het beleven mag en je er belang in stelt. Maar wij zijn toch beiden op de reis naar de eeuwigheid. Zo de boom valt, blijft hij liggen. O, daar wordt zo weinig aan gedacht.
Nu, het beste toegewenst en het beste is de gekruisigde Christus.
Jullie zuster,

W.H.M. Vonk

Brief aan zus Gretha

Rotterdam, 20-5-1929

Mijn waarde Gretha,

Veel, zeer veel denk ik aan je, mijn waarde Greet. Maar wat zal ik je zeggen.
Heden wat zwaarmoedig van geest. Och ja, waar zal ik je mee lastigvallen. Je kent mij allang, niet waar, mijn beste. Altijd langs drukke wegen en kruiswegen.
De Here zegt: “Neem uw kruis op en volg mij.”²⁰ “Bezit uw zielen in lijdzaamheid.”²¹
Maar ik draag mijn oude natuur nog zo. De oude mens wordt nooit bekeerd. Hij speelt zo dikwijls de baas.
Ik wil je toch eens zeggen wat er aan scheelt. Ik moet van de dokter vooral in beweging blijven. Dat doe ik ook zo veel als ik kan want als ik dat laat, kom ik op mijn bed en er niet meer af. Een vrouw heeft twintig jaar op haar bed gelegen en ging daar vandaan naar het kerkhof. Nu heb ik vandaag zelfs nog mijn kleren gewassen.
Er kwam een vrouw die een stukje liet naaien om zo op de hoogte te blijven over hoe het met mij gaat en dat aan mijn vijanden over te brengen. Je kent mijn hoofdzonde: drift. Ik was boos, verontwaardigd en bedroefd: van alles door elkaar. Die vrouw beledigde een oude vriend van mij. Hij is overleden en ik weet en geloof dat hij juicht voor de troon van genade.
Mijn beste Greet, je weet dat als de nietszeggende mens aan Gods volk komt dat ik dan boos, verontwaardigd en bedroefd ben. Maar nu is het rijk van zulke mensen en zo moet men dagelijks leren zijn ziel in lijdzaamheid te bezitten. Ik zeg leren (ik vorder niet hard op die leerschool) en daarom Greet: wat is de mens, wat is in hem te prijzen. Als de Here onze zielen niet onder Zijn bescherming hield, wat kwam er dan van mij terecht, waar mijn ziel in mijn hand dagelijks in gevaar is. Daarom is het zo heerlijk dat de Here Zijn Trooster achtergelaten heeft en telkens zegt: “Zie, hier ben ik.” Een mens die het grote voorrecht van de Here ontvangen heeft om altijd maar weer tot dat wasvat te mogen komen voor een dagelijkse afwassing in dat verzoeningsbloed en die zichzelf mag aanklagen vanwege de smartelijkheid van zijn verdorven natuur.
O, mijn beste Greet, daar heb ik wat tranen liggen en dan zeg ik zo dikwijls: “Here, hoe lang nog, hoe lang nog moet ik mijzelf verdragen en dragen.” O, Gretha, wie die grote genade mocht ontvangen en de minste van de minste mag zijn, o die hoeft bij het verlaten van dit aardse huis nooit, nee nooit meer te zondigen. Is het dan geen wonder dat dat arme en ellendige volk verlangt om ontbonden te zijn, om met Christus te zijn?
Ik heb zo schuin voor mijn raam een wilde kastanjeboom staan. Hij staat met vers groen en bloesem. De vogeltjes erin kwinkeleren. Die heerlijke, vredige, volmaakte schepping van God zelf.
O, Greet, wat er toen in mij omging. Wat is de mens ver, zeer ver van God af dan. O, Here, wat zijn wij ver weg dat wij ons met schaamte en schande moeten afwenden van een blad van een boom en zeggen: “Och Here, wie ben ik dat Gij mij gedenkt.”
O, Greet, niettegenstaande dat alles verzorgt de Here mij naar lichaam en ziel zo in zijn dierbare liefde, dat ik de Here niet genoeg naar waarde kan schatten en dankbaarheid tekort kom want al wat aan Hem is, is geheel begeerlijk. Daarom, Greet, kan niets die plek vervullen dan Hij, ja Hij alleen.
De wereld is zo hol, koud en leeg en het menselijk hart is zo arglistig en zo zondig dat men ervan walgt.
Daarom vindt men in zichzelf niets als de dood. Het Leven ligt verborgen in Christus en dat is zo heerlijk voor mijn arme ziel. Want ik kan in de dood geen adem halen. Wat is dat verborgen leven een heerlijk leven, dat vredige, die ware vrede met God, met mens en natuur, ja vrede met de dieren van het veld, ja met de grassprietjes.
O, Greet, zichzelf niet meer hoeven te leven. ’s Nachts, ’s morgens vroeg, overdag, altijd, ja altijd over Hem te spreken, met Hem te mogen spreken, over Hem te mogen peinzen. Dat is mijn leven.
Zondag om 4 uur tot ’s avonds 11 uur aan één stuk uit Zijn woord te mogen spreken. Dinsdagavond van 7 uur tot 11 uur, donderdag en zaterdag idem en dan degenen die de gehele week komen. Ik ben geen dag zonder dat er niet over Hem gesproken wordt.
O, het is zo heerlijk. Wat zal het dan voor mij zijn als ik verzadigd mag zijn van Zijn goddelijk beeld. Want hier is alles maar ten dele. Als dat reeds ons vermaak is, nacht en dag, wat zal het dan zijn in de volmaaktheid. Hier alles doorspekt van zonde en daar verlost van zonde.
O, Greet, dat moeten wachten maar het is een haastig wachten. Ik moet de raad van de Here uitdienen, want als de Here mij hier nog nodig heeft, o gaarne, zeer gaarne.
Ik doe niets liever dan de zielen in de geest van zachtmoedigheid te wijzen en ze te leiden tot de gekruisigde Christus, zielen op te wekken om tot Hem te gaan. Want Hij zegt: “Wendt u allen tot mij, gij einde der aarde en wordt behouden. Kom maar zoals je bent, verhardt u niet, maar laat u leiden.” Want, Gretha, het is de waarheid.
Groot is de Diana der Efezen²², het beeld dat uit de hemel gevallen is. O, die vervloekte hoogmoed. De zonde uit het paradijs. De mens wil God zijn en de Here zegt: “Ik ben God en niemand meer.” Dat beeld is uit de hemel gevallen, het beeld van God dragende. Door de zonde uit het paradijs verdreven, hebben wij het beeld van God verloren en zijn uit de hemel gevallen.
Nu richten wij wel een altaar op met het opschrift ‘de onbekende God’²³ maar wij offeren het beeld dat uit de hemel gevallen is en het kan ook niet anders: vervreemd van God kennen wij Hem niet.
Er sprak eens een vrouw tegen een prediker dat zij God liefhad. De man antwoordde haar niet maar toen hij op de preekstoel kwam, sprak hij: “En dan zegt een mens dat hij God liefheeft en hij kent Hem niet.” De vrouw ontstak in woede tegen de prediker. Thuisgekomen schreef zij een hele laaghartige brief aan die prediker, die hij nooit ontvangen heeft. Toen hij later die vrouw ontmoette, bracht hij haar aan het verstand dat die brief op het grote kantoor hier boven gelezen was. Wanneer het waarheid was geweest dat die vrouw God liefhad, zou zij noodzakelijk de naastenliefde gekend hebben. Die had ze niet getoond door de vijandschap tegen de prediker.
O nee, Hij is voor degenen aan wie de Here zich niet geopenbaard heeft een onbekende. Wij bouwen wel een altaar voor Hem maar wij offeren en roken op de hoogten²⁴, houwen ons gebroken bakken uit, die geen water houden.²⁵
O, alles doen wij voor Diana (voor onszelf) en wij laten de onbekende God voor een ander, totdat Paulus komt en Hem ons bekend maakt. O, gelukkige ziel, die dan doorboorde oren krijgt²⁶ wanneer het jaar der vrijlating daar is. Dan is het zeker en waar dat God hen liefheeft. En hij die God liefheeft boven al, ja meer dan zijn leven, o zijn leven heeft geen waarde als de Here maar aan zijn eer komt. Dat is hun leven. En daarom gaan zij gebukt onder hun onvolmaaktheid. Want zij kunnen de Herre niet naar waarheid schatten. Zij kunnen hun zielenleven niet uitspreken maar wel beleven.
Daarom, mijn beste Gretha, wie spreekt nu niet graag over zijn liefste. O, men zou het al wat mens is wel willen toeroepen: Hij is het waard om terwille van Zichzelf geliefd te worden.
Nu, mijn beste Gretha, moet ik nog aan Gerrit schrijven en moet ik eindigen hoewel, als ik daaraan begin, komt er geen eind aan want aan de eeuwigheid is geen einde.
Ik heb nog een vriendelijk verzoek aan je, mijn beste. Dat je mij niet meer lastig valt om naar Amsterdam te komen. Ik weet wel dat er boos geworden zijn omdat ik niet kom, maar hier is mijn plek en zichtbaar en tastbaar werk voor mij. Ik kan noch wil bij dat volkje weg hier dat ik liefheb als mijzelf. Ja, God eerst en dan zij want ik heb ze lief, meer als mijn leven.
Ik zal niet optrekken, waar dan ook heen, voordat mijn dierbare Koning het mij gelast. Ik zal zeggen, zoals Mozes: ik zal niet optrekken als Gij niet meegaat.
Nee, Gretha, mijn weg ligt ver van Amsterdam vandaan. Ik wil mijn weg naar lichaam en ziel maar aan mijn Hemelse Vader overgeven. Hij weet wat goed is en ik wil alleen maar vragen: “Here, wat wilt Gij dat ik doen zal?”
Want, Gretha, ik weet dat mijn lichaam en ziel het veiligste zijn in Zijn hand, dus dat is afgesproken, niet waar? Ik wil dat je daar niet meer over spreekt. Je wilt toch zeker, niet waar, Greet, mijn wil in deze eerbiedigen?
Ik ben je altijd zeer toegenegen en zal je nooit vergeten.

W.H.M. Vonk

Brief aan Eduard

Rotterdam, 31-5-1929

Mijn beste Eduard,

Zeer bedroefd zet ik mij ertoe om je te schrijven maar ik had je liever gesproken.
Zal ik je nog te zien krijgen voordat je je reis gaat aanvaarden? Ik zie toch zo verlangend naar je uit. Ik weet niet of ik je ooit zal weerzien.
Het is wel waar, wat je altijd zegt, dat ik zo zwaarmoedig ben. Ach kind, mijn leven is een aaneenschakeling van droefheid. Dimme zie ik niet meer sinds Jakob dood is. Maar het is zo zeer goed. Dat zie ik goed. Ik zou het niet anders verlangen.
Je vraagt mij naar de drie jongens. Tot nog toe heb ik ze alle drie en het is mijn gedurig smeken voor de troon der genade of ik ze houden mag tot mijn einde en ze mag zien groeien in de genade. Ik heb je immers gesproken over een van de drie, de oudste, die ik altijd mijn jongetje noem.²⁷ Zijn moeder heb ik teruggekregen.²⁸ Ik heb je immers dadelijk gezegd: “Die krijg ik terug want wat heeft zij mij gekost voor de troon der genade.” Nu hoop ik dat de Here mij vergunt dat ik haar houden mag. Want ik heb haar teruggekregen uit Psalm 43.
Want, o, mijn beste Edu, als een mens aan het einde van zijn reis is, zal hij verbaasd staan als hij er zelf is en dan is het een groot wonder als hij er eentje overhoudt. O, mijn kind, het was vanmorgen nog mijn pleiten op Zijn beloften die de Here mij vorig jaar gegeven heeft uit Psalm 81:12.²⁹
Het is een wonder, Edu, hoe de Here een verhoorder der gebeden is. Die moeder was op een zondag bij mij met zes van haar kinderen en een schoondochter. De andere twee verzuimen ook nooit.³⁰ Ik noem ze het driespan. Ze zijn altijd bij elkaar als ze maar even kunnen. Heerlijk, niet waar? Zondagen.
O, als de Here mij nu eens vergunde mijn laatste dagen te mogen slijten in Zijn dienst. Zichtbaar is de Here dat van plan. Er is niets heerlijkers dan zielen te mogen wijzen op mijn dierbare gekruisigde Christus want, Edu, de tijd is kort, ja zeer kort en zo vele duizenden zielen gaan er naar de eeuwige rampzaligheid.
Dat is zo pijnlijk voor mijn ziel dat dat gezegende bloed van mijn dierbare Borg zo weinig waarde heeft, terwijl voor mij niets anders waarde heeft. Niet is mij meer waard dan Hij, ja Hij alleen en de zielen van mijn naasten.
Jaren geleden sprak de Here: “Als u eenmaal bekeerd zal zijn, versterk dan uw broeders.”³¹ O, nu is mij niets liever dan de korte tijd die ik hier nog ben mijn mede-reisgenoten naar die ontzaglijke eeuwigheid te wijzen, op mijn lieve Koning Jezus, mijn Koning, mijn Priester, mijn Profeet, om ze op te wekken om met mij te gaan, want Edu, alles, ja alles is bij Hem te vinden. Vrede, vrede met God, die eeuwige vrede. Uitkomst tegen de eeuwige dood. Hij Die alleen onze zonden op Zich genomen heeft. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. Door Zijn striemen is onze genezing geworden.
O, die lieflijke uitnodigingen van Hem. Kom maar zoals je bent. Toon Mij je aangezicht maar. Niets, nee niets hoeft een mens er voor te doen. De Here heeft er alles voor gedaan. Hij heeft de pers alleen gestreden. De Here is niet gekomen om gediend te worden maar om te dienen en Zijn ziel te geven voor velen. Hij roept en nodigt nacht en dag: “Wendt u tot Mij, o allen, gij einde der aarde en wordt behouden.”
De Here wil niet dat een ziel verloren gaat, mijn Eduartje. De ziel die de tijd der genade voorbij laat gaan, die wil zelf verloren gaan. Daarom doet het mij zo’n pijn dat er zo weinig leven is. Daarom is Psalm 126, vers 3 zo waar.³² Daarom zegt de Here: “Zaait aan alle wateren en na vele jaren zult gij het water vinden.” Dan maar zaaien en het met mijn tranen nat maken.
Als dan de Here de wasdom wil geven, al is het er maar voor eentje, maar pleitende op Zijn eigen woord: “Eist van Mij vrijmoedig op Mijn trouwverbond”, o wat is dat groot. Als de Here uitdrukkelijk zegt: “Eist vrijmoedig”, wat zou ik dan anders te eisen hebben als zielen voor de eeuwigheid en de Here spreekt dan op ‘Mijn trouwverbond’. Dan is mijn eis al verhoord op ‘mijn trouwverbond’, alsof de Here zegt: je eis is je al toegestaan.
En dan te mogen smeken en daarop de belofte mild en overvloedig al toegestaan op het smeken. O, wat zou ik meer of anders te smeken hebben dan zielen, ja zielen voor de eeuwigheid. En zichtbaar verhoort de Here mijn smeken. Dat Hij mij zelfs gegeven heeft dat ik uitroep: wonderdoende God en de Here zegt: “Gij zult nog groter wonderen zien.”
O, mijn Edu, nacht en dag ben ik bezig, worstelende voor de troon der genade, om zielen voor de eeuwigheid.
Nu, mijn beste Edu, moet ik eindigen. Je bedroefde

Vrouw Vonk

Brief aan Gerrit

Rotterdam, 24 juli 1929

Gerrit,

Ik heb je brief ontvangen en daarin gelezen dat je in het klaaghuis zat en de rechte klacht uitte. Zoals de schrift zegt: zij die klagen doen dat vanwege hun zonden. Ik zit ook liever in het klaaghuis dan in het huis van de maaltijden.³³
O, Gerrit, als een mens zijn ellendige staat echt heeft leren kennen, dat God zelf hem uit de doodsslaap van de zonden heeft opgewekt en de zonden gaan leven en het waarachtig Gods werk is en God met de ziel begonnen is en niet de ziel met God, dan leert hij door het ontdekkingslicht dat hij tegen een Heilig God gezondigd heeft, die nooit van Zijn recht afstapt. O, dan is er geen doen aan voor hem en hij ziet dat hij voor eeuwig verloren ligt en staande voor de wet ziet hij dat die hem veroordeelt, want vervloekt is een ieder die niet blijft in hetgeen in het boek der wet geschreven staat. O, dan worden er wat traantjes gehuild om God te bewegen maar wij hebben met een onbeweeglijke God te doen.
Dan aan het werk, het werkhuis in. Tien schoften³⁴ op een dag werken om zalig te worden. Bidden, lezen, kerken, wenen, allemaal om God te bewegen. Als de Here hem nu maar bekeren wil. Hij is wel gewillig om bekeerd te worden en hij ziet door zijn eigen blindheid niet dat het allemaal vijandschap tegen God is, al zijn eigen werk want een grote vijand van vrije genade.
Hij eist streng loon op zijn werk. Wat is de mens toch een vijand van God en wat krijgt hij een medelijden met zichzelf. Hij gaat vast geloven dat de Here erg tevreden is met dat menselijke werk. Hij gaat zijn eigen geloof en de valse hoop koesteren en een stempel zetten op zijn eigen bekering, die niet anders is als vijandschap tegen God.
De Here zwijgt in Zijn liefde en bestrijdt Zijn volk in het niet verhoren van hun gebeden. O, dan komt de vijandschap pas voor de dag want de Here doet niets anders dan alsmaar zijn zonden meer en meer te laten zien. Hij maakt hem meer en meer onbekeerd om hem te laten zien dat een ieder vervloekt is die het vlees tot zijn arm strekt.³⁵ Er komt niets wat onrein is binnen want nu is het niet meer voor God liggen maar onder God. Nu is het niet meer voor de Waarheid maar achter de Waarheid.
Nu ziet hij dat hij niet zalig kan worden, nee, o nee, niemand kan zalig worden. Dan roept de ziel uit: “Bergen, valt op ons heuvelen, bedek ons voor het aangezicht des Heren.”³⁶ Dan is hij reddeloos en radeloos. Zo wordt hij door God bewerkt en onbekeerd en verliest zijn eigen bekering, gaat zichzelf wantrouwen en verliest zijn eigen geloof. Hij ziet door het goddelijke ontdekkingslicht dat hij een vijand van God is.
Hij wilde de Here betalen en heeft zich wel duizendmaal overgegeven maar hij moet overgenomen worden. Och, als de ziel dan reddeloos en radeloos voor God staat, dan is er raad en hulp besteld bij een Held. Ja, zij komen wel tot de wanhoop maar er niet in. Daar zorgt God voor.

Fragment brief Vrouw Vonk aan Gerrit d.d. 24-7-1929

Fragment brief Vrouw Vonk aan Gerrit d.d. 24-7-1929

O, als de ziel dan ervaart dat in de vrederaad al het besluit genomen was en de God van eeuwigheid toen al over zijn ziel bewogen was en de deur en het dal Achor³⁷ geopend worden, dat de mogelijkheid om zalig te worden in Christus ligt en niet in de mens. O, dan ziet de mens waar de mogelijkheid ligt.
Bij God zijn alle dingen mogelijk maar dan weet hij nog niet of Christus het doen zal, want dan – ziende zijn zonden en ziende Gods Heiligheid – zegt hij: “Mijn zonden zijn te groot dan dat zij vergeven kunnen worden.”
Dat is de Here omlaag halen en Zijn Kroon door het slijk slepen want de Here vroeg mij: “Bent u machtiger in het zondigen dan ik in het vergeven?” Dat is Gods eer vertrappen met zijn voeten en toen sprak de Here: “Ik ben God en niemand meer.”³⁸ Want, Gerrit, wij willen niet om niet gezaligd worden.
Als God ons dan te machtig wordt, heb ik mijn handjes naar de Hemel uitgestrekt en uitgeroepen: “Och Here, neem de leidsels toch uit mijn handen want ik ben het zo moe tegen God te vechten. Dan is dat briesend paard gesneuveld maar het moet nog begraven worden.
O, het is niet genoeg voor God te bukken maar hij moet onder God bukken.³⁹ Dan is hij pas handelbaar. Dan moet hij de geest geven in zijn nest.⁴⁰ Dan moet hij sterven hoor, Gerrit. Breng hem hier en sla hem dood die niet wil hebben dat ik Koning over hem ben. O, dan is hij niet bekeerd maar wordt voor de vierschaar gerechtvaardigd. Dan sterft hij in zichzelf en staat op in Christus. O, dan heeft hij niet meer zichzelf te leven maar leeft hij God en al wat tot zijn zaligheid nodig is ligt in Christus.
Dan ziet hij dat bokkenbloed enz. niet voldoet maar het gezegende bloed van Christus. O, één druppeltje van het gezegende bloed op de dorre aarde is hem meer waard dan zijn zaligheid. Hij heeft alleen nog oog voor Hem. Dan staat hij daar en kan niet van Hem verzadigd worden en wil Hem blijven aanschouwen.
Dat heeft Hij voor mij gedaan. Dat ziende, dat Christus zich doden liet, aan het kruis vaneen gescheurd om wat verbroken is te helen, dan is alles aan Hem begerig, dan sterft een ziel met Christus.
Daar neemt Hij zijn volk mee en staat ook met hen op. Sta op uit de dood en Christus zal over u lichten. Wat wordt hij met dat alles een arm mens in zichzelf maar rijk in Christus. Dan wordt de hoop levend en het anker van de hoop ligt niet in hem, want dat was een dode hoop, maar in Christus en die hoop beschaamt nooit omdat die niet in de mens ligt.
Dan ontvangt hij pas het zaligmakend geloof. Dan gelooft hij zichzelf niet meer maar hij gelooft in Christus, maar niet meer aan Christus. Dan is hij onder God en er niet voor. Dan is hij achter de Waarheid, dan is hij de Waarheid toegedaan en de Waarheid maakt hem vrij. De Waarheid is dan niet hard meer.
Dan neemt hij dagelijks zijn kruis op en volgt het Lam dat geslacht is waar het ook heen gaat. Dan is het vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Vrede met de mensen, met de beesten, ja met de stenen. Dan kan de Here geen kwaad meer doen. Dan gaat de Geest van God in hem bidden. Dan bidt hij niet meer naar zich toe maar van zich af. Dan is het niet meer om zijn zaligheid te doen maar om de eer van God. Als Hij maar aan Zijn eer komt. Het komt er voor hem niet op aan want de liefde van God is in zijn hart uitgestort en hij heeft God lief omdat Hij hem eerst lief gehad heeft.
Nu moet ik eindigen. Hier heb je de bevinding van mijn ziel. Gerrit, wij moeten onze zonden uitleven. Wij hebben een dagelijkse bekering nodig en worden alsmaar armer totdat wij niets overhouden als de God van onze bekering. Want er staat: “Gij zult niets overhouden als Mij alleen.” Zo is en blijft het altijd vrije genade die eeuwig Hem bewoog. Nu, van harte het beste toegewenst en dat is de gekruisigde Christus.
Jullie zuster,

W.H.M. Vonk

Goudschestraat 21, 2 maal bellen, Rotterdam

Brief aan dominee Boone

Rotterdam, 24 september 1929

Waarde ds. Boone⁴¹,

Ik gevoel behoefte u enige letteren te doen toekomen, dat de Here zo een verhoorder der gebeden is, daar het mijn dagelijks smeken aan de Troon der genade is, of de Here ons zo genadig wil zijn ons nog een lichtje te laten, terwijl wij wegens onze verlating van de Here zo zwaar gezondigd hebben dat er bijna geen waarachtige Waarheid meer te horen is en land en volk op het punt staan te vergaan.
Want nu, terwijl de Here nog enkel maar waarschuwt in zijn liefde, denkt men hulpmiddelen te kunnen gebruiken om de Almachtige Zijn gezag te ontwringen. O, hemeltergend Nederland.
Dan smeekt mijn ziel tot God: “Och, Here, veeg ons niet weg in Uw toorn, maar wees ons genadig, dat kleine kringetje, dat zich om mij heen geschaard heeft om het aangezicht van de Here te smeken om genade en geen recht.” Als de Here het mij vergunt vanavond te mogen opgaan, ben ik met 15 à 16 man en smeken wij de Here of Hij u met Zijn dierbare Geest versterken en ondersteunen wil.
En of de Here die verbeurde zegen nog geven [wil] om het juk nog eens van de kinnebak af te lichten, om de ziel nog eens voer toe te dienen⁴² want de waarheid struikelt op de straten en het recht kan er niet door. Overal huurlingen, die zich kleden met de wol van de schapen, rondom onbesneden Filistijnen en Ismaëlieten, die de Izaäks bespotten. Zij zijn zo zwak en klein. De vijanden, in- en uitwendig, zijn zo machtig en met velen.
Daar ik tot mijn blijdschap heb mogen horen dat u hier vaker komt, kent mijn dankbaarheid geen grenzen dat de Here nog bemoeienis met ons wil hebben. Ik had u al eens persoonlijk op willen zoeken maar ik kom al enige jaren niet op straat vanwege een lichamelijke kwaal, die hand over hand toeneemt en als u gesproken hebt, bent u te moe. U zal zeggen: “Als u niet kan lopen, hoe komt u dan onder mijn gehoor?” Mijn kringetje helpt mij de trap af en dan met een auto.
Dagen van te voren smeek ik mijn Hemelse Vader of Hij in ons midden wil zijn en nog een klein hoopje van dat arm en ellendig volk, naar zijn naam genoemd, over wil laten.
Ik hoop dat de Here u nog enige jaren wil sparen en aansporen met kracht uit de hoogte. Och, Here, zendt Uw licht en Waarheid weer. In mijn kringetje wordt u gedragen in de gebeden. Eén wordt er vanavond in ons midden gemist. Hij bevindt zich in Leiden en moet daar in de kazerne in de grootste goddeloosheid 17 dagen doorbrengen, die gelukkig – als wij het beleven – zaterdag voorbij zijn. Hij wordt ook bespot omdat hij zich niet wil laten inenten om zijn God niet te tarten. Het doet hem en ons leed dat hij niet mede op kan gaan maar de Here is aan tijd noch plaats verbonden. Ik hoop – als de Here het mij vergunt – hem te schrijven wat u gesproken heeft.⁴³ Ik hoop u toch nog eens persoonlijk te ontmoeten – als de Here het vergunt – want als het winterweer wordt, kan ik niet buiten komen.
Op zondagavond, dinsdagavond, donderdagavond en enkele zaterdagavonden is mijn kringetje bij mij en nemen wij een hoofdstuk uit de Schrift door en smeken of de Here zijn eigen dienstbaar woord ontsluiten wil in deze troosteloze, donkere dagen.
Van ons allen de wens dat u nog lang in de wijngaard van de Here mag werken.
De hartelijke groeten van mijn volkje.
Achtend,

W.H.M. Vonk
Goudschestraat 21
Rotterdam

Brief aan vriendin Rika

29 september 1929

Romeinen 9

Mijn geliefde zielsvriendin Rika,

Lang heb ik naar iets van je uitgezien naar aanleiding van hetgeen je hebt moeten doormaken. Ik heb hierover juist gesproken met mijn volkje op zaterdagavond en zo de Here wil en Zijn dierbare Geest het schenken wil, vervolg ik het vandaag, zondag.
Ja, mijn beste, het is hier het land der ruste niet. Het gaat ons zoals Paulus. Het is ons een grote droefheid en een voortdurende pijn als we dagelijks ervaren dat onze bloedverwanten met hun daden tonen dat zij geen behoefte hebben aan de kennis van de wegen des Heren. De één vermaakt zich beschaafd en hoogst fatsoenlijk met alles wat buiten God ligt, anderen zijn met hun vroomheid boven de Here uitgegroeid en zijn hun eigen god. Zij beloven zich een hemeltje en geloven dat zij straks, als de ziel het lichaam verlaat, naar hun eigen hemel gaan, naar hun eigen gemaakte afgodsbeeld.
Dan heb ik wel eens de Here op mijn knieën gesmeekt [dat] – als mijn naam in het Boek des Levens staat opgetekend – of de Here mijn naam wilde uitdelgen en hen wilde aannemen. Ja, ik spreek nu als een dwaas, dat ik mij nog zou kunnen verblijden in de rampzaligheid, in hun zalig zijn, alsof er in de rampzaligheid nog blijdschap zou kunnen zijn. Maar ze liggen me ook zo na aan het hart. Als men het aanziet dat onze bloedverwanten moedwillig en vrijwillig de eeuwige rampzaligheid met rasse schreden tegemoet lopen, is dat hartverscheurend. Want straks is de deur op slot, roepend en schreeuwend van droefheid en pijn, huilend, knarsetandend. O, had ik en dat had ik … vloekend, vervloekend en nooit uitgevloekt zijnde tot in eeuwigheid. God moeten vervloeken vanwege de wroeging. Nooit tot berouw kunnen komen omdat de tijd van de genade voorbij is en ongebruikt gelaten. Zoveel weldaden van dat dierbare Wezen ontvangen hebben en zoveel roepstemmen gehoord hebben.
O, dan kan de ziel ineenkrimpen van smart over onze nabestaanden. Ik kan dat zo van mijn Rika begrijpen omdat ik daar ook gestaan heb en het zo nu en dan nog wel eens boven komt.
Maar mijn beste zielsvriendin, is de Here niet vrij? Is het geen vrije genade en staan Rika en ik niet verbaasd? Is het niet een eeuwig wonder dat de Here naar ons omziet terwijl wij toch niet anders zijn dan onvruchtbare Rebekka’s? O, Rebekka, hoe lang was zij al met Izaäk getrouwd en onvruchtbaar? En zij zou onvruchtbaar blijven in zichzelf. Is het zo niet mijn geliefde zielsvriendin?
Kunnen wij in onszelf enige vrucht vinden? Al heeft Izaäk ons getrouwd, dan nog moet het zaad uit Izaäk komen want hij was de beloofde. En daarom zijn het kinderen die uit Izaäk geboren worden, kinderen der belofte.
O, mijn beste Rika, kunnen wij dan anders als verwonderd staan, met een verwondering der verwondering, dat de Here naar zo iemand omziet als Mina Vonk en haar als een kind der belofte in Izaäk wil aanzien?
Dan roept mijn ziel uit: “Here, hoe is dat mogelijk?” En de Here zegt: “Wat niet mogelijk is bij de mens – want Rebekka is en blijft in zichzelf onvruchtbaar – dat is mogelijk bij God, bij de altijd zaad gevende Izaäk.”
En wanneer de Rebekka’s bevrucht worden en zaad ontvangen hebben van die eeuwige Izaäk waarmee zij getrouwd zijn, dan zijn ze zwanger van een tweeling. Is dat niet zo, mijn beste zielsvriendin?
Dan neemt de strijd een aanvang. Dan begeert het vlees tegen de geest. En Esau wil altijd de zonde najagen en is hij geen wilde jager, hij is een harig man.
O, voordat de kinderen geboren waren, werd Rebekka al aangezegd: “De meerdere zal de mindere dienen.”⁴⁴ En nu kan Esau zo een wilde jager niet zijn om de zegen te behalen. Het is tevergeefs want het is niet uit de werken maar uit de eeuwige verkiezing. Verkoren en geboren uit de eeuwige baarmoeder Gods, in de stille eeuwigheid al gebaard uit God, daarom kinderen van God⁴⁵ genoemd.
Nu wordt het toch door ons hele leven bevestigd, niet waar, mijn geliefde zielsvriendin. Dat leert ons al die jaren ervaring en bevinding van onze zielen dat de meerdere de mindere zal dienen. Want Esau kwam eerst uit en was de oudste maar Jakob heeft de verzenen van Esau vast. Als dat niet waar was, niet waar, mijn beste, dan waren wij allang vergaan. Maar dat is van eeuwigheid waar en in het paradijs. Het herhaalt zich waar de Here sprak: “Ik zal vijandschap zetten tussen uw zaad en tussen haar zaad, tussen het zaad van de vrouw en het slangenzaad. Dat zal u de kop vermorzelen en u zult het de verzenen vermorzelen.”⁴⁶
Dat is op Golgotha volbracht. Heeft de Here niet twee letters meer dan de macht van de satan? Is Hij niet de almacht?
Waar zou onze arme ziel blijven? Nee, niet uit de werken van de sterke Esau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht heeft en toch de zegen wilde wegdragen. Hebben wij ons niet moed- en vrijwillig verkocht alleen om de genietingen van de wereld en [hebben wij] het dierbaar bloed van Christus [niet] veracht?
Wat heeft die gezegende Borg weinig waarde. Het is niet anders als: zeg mij, wat is Hij je waard en ik zal je Hem overleveren. 30 zilverlingen!
Eeuwig wonder dat Jakob nog geliefd werd maar daaruit ziet men ook dat het niet is degene die wil, noch degene die hoopt, maar enkel vrije genade die eeuwig Hem bewoog. Daarom, mijn beste zielsvriendin, mag degene die de Here aanstelt, hetzij man, hetzij vrouw om het de mensen aan te zeggen, met kracht uit de Hoogten aangorden om ze de zelfverloochening te leren en geen mens in het vlees te kennen. Want de Here zegt tegen Farao: “Daarvoor heb ik u aangesteld om in u Mijn kracht te tonen”⁴⁷ en jaloers zegt de Here: “Ik heb de smid geschapen om het vuur aan te blazen.”⁴⁸
O, mijn Rika, dan ziet men pas de strijd en vijandschap. Zo lang men spreekt over de zaligheid of een lied voor het gekrookte riet heeft, dan gaat het wel, maar als men hen onder het oog brengt dat zij Gods eer vertrappen, dan leest men de vijandschap van hun gezichten. Dan gaat het net als met Mozes die het volk Israël wilde stenigen.
Ik moest het dinsdag nog ervaren. Dan hoort er wat zelfverloochening toe om niet als Elia moedeloos neer te liggen toen hij Baäls priesters geslacht had aan de beek Kison.⁴⁹
Dat volk dat de Here met een machtige hand uit Egypte geleid had aan de hand van Mozes, zijn getrouwe en zachtmoedige knecht en Aäron de Priester, zijn broeder. Wat heeft Mozes niet geleden van dat volk. Dan is het: “Wij weten niet wat die Mozes geschied is, maakt ons Goden.”⁵⁰ Dan betwisten zij hem zijn ambt.
Altijd murmureren en verlangen naar de vleespotten van Egypte. Dat is hetzelfde volk dat zegt als zij de wet ontvangen: “Alles wat de Here zegt, zullen wij doen.” Dat later Mozes weer wilde stenigen. Maar toch bleef er een Kaleb over die goed van dat land sprak.⁵¹
Dat mocht ik dinsdag ook ervaren, dat er nog een was die de sterkte van de Heer aangreep.
O, mijn beste Rika, ik heb er zo drie die de satan begeert te ziften en mijn voortdurend smeken van de Here is: “O, Here, geef ze niet over in de klauwen van de satan, dat zij de proef mogen doorstaan en als goud uit de oven mogen komen want hun geloof is zeer zwak en daar maakt de satan gebruik van.”
Mijn voortdurend smeken voor de troon der genade voor hen is of de kracht van de Here in hun zwakheid volbracht mag worden want, mijn beste, ze liggen mij alle drie zo na aan het hart en ik zie zo bezorgd de dag tegemoet dat ik ze zal moeten verlaten. Daarom draag ik ze dagelijks op voor de troon der genade en beveel hun zielen in de hand des Heren aan.
En als ik mij dan niet goed voel en zij zitten zo alle drie voor mij, dan moet ik mij wel eens verwijderen om mijn tranen de vrije loop te laten en te zuchten: “Och Here, neemt Gij ze aan.”
O, Rika, zij zijn geen kinderen van mij naar het vlees maar naar de Geest. Ik kan toch zo innig bedroefd zijn en bezorgd over de vreselijke tijd die er aan komt, de gehele afval. Dat zij toch tot dat kleine hoopje mogen behoren die naar Zijn Naam genoemd zijn. Och, kon ik ze meenemen als ik dit tranendal mag verlaten.
O, wat een worsteling voor de troon der genade geeft de Here mij voor hen. Daarom hoopt mijn ziel op God, dat de Here hen niet aan zal zien in zichzelf maar in zijn ontfermende eeuwige liefde.
O, wat zal dat voor mij zijn als ik door Gods vrije genade zal mogen zeggen: “Hier ben ik en de kinderen die U mij gegeven hebt.” Wat druk ik ze dikwijls in mijn eentje aan mijn liefdevolle moederhart.
Daarom kan ik zo met je meeleven, mijn beste, waar dat ene ooi lammetje zo ver van huis zwerft, maar houdt moed: de Here is een verhoorder der gebeden.
Vroeg of laat zal de Here uitkomst geven want een kind van zoveel tranen en gebeden kan niet verloren gaan. Is het hier op aarde niet weggelegd voor je dat je je gebedsverhoring hier niet beleven mag, dan zal de eeuwigheid het openbaren. Dat je tranen van smart en rouw over je verloren dochter niet tevergeefs zullen zijn geweest maar de Here ze in Zijn fles⁵² vergaderd heeft en u vreugde olie voor as geeft⁵³ en al uw tranen van uw ogen afwist.
Zijn eeuwige opzoekende liefde zal te goeder ure op Zijn tijd uitkomst brengen. Het is zo waar dat de Here al in Gethsémané in het stof kroop als een worm en geen mens voor Zijn volk voordat Hij ze in het stof voor Hem deed bukken. Ja, voordat zij huilden over hun zonden huilde de Here en leed de Here voor ons. Toen wij nog midden in de goddeloosheid leefden en de wereld dienden, waren de ingewanden van de Here al van barmhartigheid bewogen over zijn arm en ellendig volk en Hij geeft ze niet over aan de gehele verharding, wat het grootste oordeel is en daarom staat er in vers 23⁵⁴, dat Hij bekend zou maken de rijkdom van Zijn heerlijkheid over de vaten van zijn barmhartigheid, die Hij te voren tot heerlijkheid bereid heeft. Daaraan ziet men Zijn vrije soevereiniteit, dat het alleen Zijn vrije genade is.
O, mijn ziel staat zo verwonderd dat de Here naar de mens omziet en een volk Zijn volk maakt dat zijn volk niet was. Want alle vlees heeft Zijn weg bedorven en niemand kent God. Alles vervreemdt van God en de Here zegt: “Ik ben gevonden door degenen die Mij niet zochten.” Het is altijd: “Adam, waar bent u.” Als dat niet zo was: wee onzer. Hij is altijd de eerste en de laatste, het begin en het einde, de alpha en de omega en wij heidenen.
Dat de Here ook uit de heidenen Zijn volk trekt en er geen aanzien des persoons is bij Hem en [dat Hij], die niet Zijn beminde was Zijn beminde noemt: o, eeuwig wonder.
Ja, in de plaats waar gezegd werd: “u bent Mijn volk”, zal aldaar gezegd worden: “u zal kinderen van de levende God genoemd worden.” O, Rika, waar zijn wij vandaan gekomen. Onze vader was een Amoriet en onze moeder een Hethiet uit een heidens volk.⁵⁵ Daarom verheerlijkt God zich in Zijn eigen werk en ontfermt zich over wie Hij wil en verhardt wie Hij wil. En zegt mijn ziel dan dat het juist op mij gemunt is, dan zegt de Here: schaamt u en wordt schaamrood. Ik doe het niet om uw wil maar ik doe het om de wil van Mijn lieve naam.
Rika, hier moet ik plotseling afbreken. Ik zie spoedig antwoord van je tegemoet.
Je altijd toegenegen vriendin,

Mina Vonk

De reden van mijn plotselinge afbreken is dat ik enige mensen moet te woord staan en dan kan deze brief gepost worden, anders blijft hij weer liggen. Ik heb dit hele stukje over moeten schrijven omdat ik mijn drukpapier verkeerd gelegd had. Nu, in haast, in afwachting gegroet.

In haast geschreven laatste gedeelte brief van Vrouw Vonk aan vriendin Rika d.d. 29-9-1929

In haast geschreven laatste gedeelte van de brief van Vrouw Vonk aan vriendin Rika d.d. 29-9-1929

Voetnoten

¹ Vrouw Vonk overleed op 30-11-1951. Zij leefde dus nog 22,5 jaar!

² Handelingen 2:16-17: “Maar dit [Pinksteren] is het, wat gesproken is door den profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.” (Statenvertaling, Jongbloed-editie)

³ Matteüs 26:36: “Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsémané [oliepers] en zeide tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga en aldaar zal gebeden hebben.” (SVJ)

⁴ Zoon van Ismaël, de zoon van Abraham. De Kedarenen waren een grote en machtige stam en hadden geen goede naam. Zie o.a.: Jesaja 21:16-17; Jesaja 42:11; Psalm 120:5.

⁵ bracht Hij tot stand.

⁶ Psalmen 72:20: “De gebeden van David, de zoon van Isaï, hebben een einde.” (SVJ) In de NBV wordt deze laatste regel vertaald als: “Hier eindigen de gebeden van David, de zoon van Isaï.”

⁷ toont, voorstelt.

⁸ Lucas 18:13.

⁹ Lucas 18:14.

¹⁰ Maleachi 1:2.

¹¹ Genesis 25:23.

¹²  Efeziërs 5:14: “Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.”

¹³ Efeziërs 1: 17-18.

¹⁴ Hermann Friedrich Kohlbrugge (1803-1875), Nederlands gereformeerd theoloog. Benadrukte sterk de genadeleer van Luther en Calvijn. De gelovige is en blijft onheilig in zichzelf, maar is tegelijkertijd geheiligd in Christus. (Wikipedia)

¹⁵  Vader Theodorus à Brakel (1608-1669), Nederlands gereformeerd predikant. Zoon Wilhelmus à Brakel (1635-1711), eveneens Nederlands gereformeerd predikant. Auteur van de Redelijke Godsdienst. Behoorden beiden tot de Nadere Reformatie. Hier zal Wilhelmus bedoeld zijn. De Redelijke Godsdienst was in het bezit van Dirk Plaizier.

¹⁶ Joseph Charles Philpot (1802-1869), Engels predikant. Verliet de staatskerk en sloot zich aan bij de baptisten. Wordt veel gelezen in bevindelijk gereformeerde kerken in Nederland en staat bekend als oud-vader. (Wikipedia)

¹⁷ Bernardus Smytegelt (1665-1739), gereformeerd predikant in Borssele en Middelburg. Een van de meest gelezen bevindelijke stichtelijke auteurs in bevindelijke kring.

¹⁸ Lambertus Myseras (1676-1740) schreef stichtelijke poëzie en traktaten, populair in bevindelijke kringen. Zie: Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme (1978, deel I).

¹⁹ Theodorus van der Groe (1705-1784), gereformeerd predikant in Kralingen vanaf 1740. Boeteprediker. Nog veel gelezen onder bevindelijk gereformeerden.

²⁰ Matteüs 16:24: “Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.” (SVJ)

²¹ Lucas 21:19: “Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.” (SVJ)

²² Handelingen 19:28: “Groot is de Diana der Efezeren!” (SVJ) “Groot is de Artemis van Efeze.” (NBV)

²³ Handelingen 17:23: “Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. Dezen dan Dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden.” (SVJ)

²⁴ Hosea 4:13: “Op de hoogten der bergen offeren zij, en op de heuvelen roken zij, onder een eik, en populier, en iepeboom, omdat derzelver schaduw goed is; daarom hoereren uw dochteren, en uw bruiden bedrijven overspel.” (SVJ)

²⁵ Jeremia 2:13: “Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, den Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.” (SVJ)

²⁶  Psalm 40:7: “Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist.” (SVJ)

²⁷ Dirk Bik

²⁸ Moeder: Lijntje Bik (25-4-1880 – 20-2-1968), gehuwd met Albertus Bik (13-3-1876 – 21-12-1959).

²⁹ “Opent uwen mond, eist van Mij vrijmoedig op mijn trouw-verbond. Al wat u ontbreekt, schenk ik, zo gij’t smeekt, mild en overvloedig.”

³⁰ Kinderen: Dirk en waarschijnlijk: Wim, Henk, Annie, Adri, Janus, Elsje en soms Jan (die toen pas 8 jaar oud was); schoondochter: Annie Bakker, 6-3-1929 getrouwd met Wim; de andere twee van het driespan (naast Dirk Bik): Dirk Plaizier (29-10-1947 getrouwd met Elsje Bik) en Gerard Hogendoorn.

³¹ Lucas 22:32: “Maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.”

³² “Die hier bedrukt met tranen zaait, zal juichen, als hij vruchten maait; Die ‘t zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat wenend voort, en zaait het al; Maar hij zal, zonder ramp te schromen, eerlang met blijdschap wederkomen, en met gejuich, te goeder uur zijn schoven dragen in de schuur.”

³³ Prediker 7:2: “Het is beter te gaan in het klaaghuis (huis vol rouw – NBV), dan te gaan in het huis des maaltijds; want in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart.” (SVJ)

³⁴ Werktijden tussen pauzes in.

³⁵ Jeremia 17:5: “Zo zegt de Heere: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt (wie zijn kracht ontleent aan stervelingen – NBV), en wiens hart van den Heere afwijkt!” (SVJ)

³⁶ Hosea 10:8: “…en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons!” (SVJ) Vgl. Lucas 23:30 en Openbaring 6:16.

³⁷ Jozua 7:26: “Alzo keerde zich de Heere van de hittigheid Zijns toorns. Daarom noemde men de naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe.”

³⁸ Jesaja 45:5: “Ik ben de Heere, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent.”

³⁹ Samuel 22:40, Psalmen 18:40: “Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.” (SVJ)

⁴⁰ Job 29:18: “En ik zeide: Ik zal in mijn nest den geest geven…”. (SVJ)

⁴¹ Laurens Boone (1860-1935) was predikant van de Ledeboeriaanse gemeenten en bij de Oud Gereformeerde Gemeente in Sint Philipsland. Hij had bezwaar tegen de vereniging van de Ledeboeriaanse Gemeenten met de Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis. Hij vertrouwde het organisatorische ‘drijven’ van dominee Kersten niet. Boone was lange tijd de enige voorganger in de Oud-Gereformeerde Gemeenten en reisde dus veel. Hij preekte ook in vrije gemeenten, bijvoorbeeld in de Infirmeriestraat in Rotterdam.

⁴² Hosea 11:4: Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde, en was hun, als degenen, die het juk van op hun kinnebakken [halzen] oplichten, en Ik reikte hem voeder toe. (SVJ)

⁴³ Vrouw Vonk doel op Dirk Bik, waarschijnlijk in Leiden voor een herhalingsoefening.

⁴⁴ Romeinen 9:12

⁴⁵ Romeinen 9:26

⁴⁶ Genesis 3:15: “En ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw en tussen uw zaad [nageslacht] en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen [hiel] vermorzelen.” (SVJ)

⁴⁷ Romeinen 9:17: “Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de ganse aarde.” (SVJ) Zie ook Exodus 9:16.

⁴⁸ Jesaja 54:16: “Zie, Ik heb den smid geschapen, die de kolen in het vuur opblaast, en die het instrument voortbrengt tot zijn werk; ook heb Ik den verderver geschapen, om te vernielen.” (SVJ)

⁴⁹ “En Elia zeide tot hen: Grijpt de profeten van Baäl, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze; en Elia voerde hen af naar de beek Kison, en slachtte hen aldaar.” (SVJ)

⁵⁰ Exodus 32:1: [Het volk tegen Aäron] “Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.”

⁵¹ Numeri 14:6-7: “En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen. En zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, zeggende: Het land, door hetwelk wij getrokken zijn, om hetzelve te verspieden, is een uitermate goed land.” (SVJ)

⁵² Psalmen 56:9: “Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?” (SVJ)

⁵³ Jesaja 61:3: “Om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid …’ (SVJ)

⁵⁴ Romeinen 9:23

⁵⁵ Ezechiël 16:3: “En zeg: alzo zegt de Heere HEERE tot Jeruzalem: Uw handelingen en uw geboorten zijn uit het land der Kanaänieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethietische.”

Kees Plaizier
augustus 2015

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *