Jellema’s plek

Kees Plaizier, mei 2008

Het is wat stil geworden rondom de in 2003 overleden dichter C.O. Jellema. Begraven ligt hij in het gehucht Saaksum op het kerkhof van een Romaans kerkje. Achter de dijk stroomt het Reitdiep. Niet ver van dit gehucht ligt Leens en het huis Oosterhouw waar Jellema jarenlang gewoond heeft.

Tekening: John Zwart
Bron: www.hernehim.nl/jellema.htm

Dit Groningse platteland is in Jellema’s poëzie een veelgebruikt motief: als herinnerd landschap, maar ook als teken van een andere werkelijkheid. Saaksum is zelfs de titel van een gedicht uit de bundel In de koude voorjaarsnacht (1986). Het gedicht leest anders nu, wetend dat de dichter hier begraven ligt. De laatste drie strofen luiden:

Adem woont, en droom om dit kerkhof is het
licht van boven, huiswaarts gedacht dit lichaam,
opgetild, ten hemel gevaren – opstand
blijft het bestaande,

dankbaar toch. Zijns ondanks gerijpt te sterven
lichter dan de klei ons voorspelt. Op velden
neemt het golvend vorm aan, belijning zonder
omtrek van wezen.

Zonlicht glanst in dakschild, glazuur van zerken,
beukenhaag – in al die doorschijning veilig
zijn ook wij. Ons ondanks. De kunst is: dit als
beeld te bewonen.

In ‘Aan het Reitdiep’ uit de bundel Ongeroepen (1991) is er een bijna volmaakte samenhang tussen lichaam en landschap. De eerste strofe luidt:

Hoe, aan de regen prijsgegeven, het landschap
tot aan de horizon grijs en niemand
zichtbaar begaat het, langs wegen
te zijn als enige, ademend.

En de laatste twee strofen:

Hoe, en omvattend als enkel gedachte
vermag, in het ogenblik vallen, met regen
in ‘t water, in landschap, in aarde –
dit als mijn lichaam te voelen, pijnloos,

ontijdig, ademend, enige
weg

Lichaam, geest en natuur lijken samen te vallen. Opvallend is het ontbreken van de punt achter ‘weg’, waarmee het verlangen naar de oneindigheid van dit samenvallen wordt gesuggereerd.

Mystieke intuïtie
Dit verlangen heeft alles te maken met Jellema’s mystieke intuïtie, die al aanwezig is tijdens zijn kinderjaren en zich later uitbreidt tot een mystieke levensbeschouwing. Jellema noemt zichzelf geen mysticus, maar zijn besef dat alles met elkaar samenhangt, in oorsprong één is, mag toch een belangrijk kenmerk van mystiek worden genoemd. In Encyclopedie van de mystiek veronderstelt J. Baers een familieverwantschap tussen poëzie en mystiek: in het ene herkent men soms het andere. Zowel poëzie als mystiek cirkelen volgens hem rond een geheim. Jellema probeert ons met zijn gedichten deelgenoot van dit geheim te maken.

Foto: Wim Ruigrok

Poëzie is voor hem het vorm geworden verlangen een ander, de Ander, al het andere te zijn. Het lyrisch subject in zijn gedichten vereenzelvigt zich met de waargenomen werkelijkheid. Het wil de gescheidenheid van het bestaan opheffen. Jellema heeft de neiging zichzelf te ontkennen, zijn eigen bestaan te betwijfelen.

Daarom is hij in zijn gedichten ook op zoek naar zichzelf. De beschouwelijke aard van het lyrisch subject lijkt samen te vallen met de dichter zelf, wat niet zo verwonderlijk is. Jellema wil samenvallen met de dingen om zich heen, dus ook met zijn eigen creaties, zijn gedichten. Zijn mystieke levensbeschouwing beweegt zich vooral tussen polariteiten als ziel en materie, lichaam en geest, bestaan en niet-bestaan. In zijn poëzie probeert hij die polariteiten met elkaar te verenigen. Voor Jellema is mystiek in de eerste plaats een levenshouding. Hij ziet in de onvolmaakte werkelijkheid soms een spoor van het door hem verlangde bestaan: een einde aan het lijden aan gescheidenheid, een herstel van de eenheid. Om aan dit verlangen tegemoet te komen, zou hij zich volgens de middeleeuwse mysticus Eckhart, door wie Jellema zich gericht weet, van beelden en gedachten moeten ontdoen. In veel gedichten is een spanning voelbaar die toegeschreven kan worden aan de botsing tussen Jellema’s mystiek verlangen naar een hogere eenheid, naar een terugkeer in de oorsprong waar de onmacht van het woord niet meer telt, en de eisen die hij aan het dichterschap stelt: woorden en beelden vinden voor het onzegbare. Daarnaast is er een voortdurend spanningsveld tussen Jellema’s onblusbare verlangen naar samenhang en zijn besef van tekortschieten. Die spanningen vertalen zich in een dichterlijke spanning: de verhouding tussen zijn beschouwelijkheid en het concrete beeld; in Jellema’s woorden: “de poëtische verbeelding van een idee”.

Een plek als houvast
Jellema probeert op verschillende manieren met spanning om te gaan in zijn gedichten. Natuur, herinneringsbeelden en kinderjaren zijn belangrijke middelen om spanning te reduceren. Daarnaast is een plek die houvast of vertroosting biedt een belangrijk motief. In een gesprek met Arjan Peters vertelt Jellema dat ook de creatie van een gedicht houvast biedt, een woonplek in een door hem zelf zo ervaren chaotisch en paradoxaal leven. Een voorbeeld is ‘Epiloog’, het laatste gedicht uit de bundel Stemtest. De laatste twee strofen hiervan luiden:

Toch, als op voorjaar na een winter, hopen
op een ontwaken in het ware licht? –
begoocheling die je niet kunt ontlopen,
je vangt haar op in het gedicht,

want uit ideeën en gevoelswanorde,
herinnerd jij waar je je blind op staart,
sticht dat het blijvende steeds in een worden
en vormt de zin die niets verklaart.

Het gedicht zelf wordt als uitgangspunt genomen, een woonplek die houvast geeft. Het vormt zinnen en geeft betekenis zonder uit te leggen. Het gedicht als zodanig betekent; er hoeft niets verklaard te worden. Het maken van een gedicht is een wordingsproces, maar sticht het blijvende.
‘Plek’ is een sleutelwoord in een aantal van Jellema’s gedichten, vooral in de bundel Stemtest. Het gebruik van dit woord is terug te voeren op plekken die een belangrijke rol in Jellema’s kindertijd hebben gespeeld. Zo heeft hij als zevenjarig jongetje een mystiek getinte ervaring. Hij loopt ‘s morgens vroeg als iedereen nog slaapt naar buiten en ziet: “de onstoffelijkheid van alle dingen, de immaterialiteit der materie, de transparantie, de pure lichtwording van wat zich voor mijn ogen uitstrekte: de beek, de bomen erlangs, het weiland met de koe en het paard, tot aan de vloeibare nevels in de verte. (….) En ik had het gevoel dat ik het bewustzijn van dat alles was, dat ik het alleen maar hoefde te vertolken om het te zijn.” Jellema is zich ook altijd de plek blijven herinneren waar hij als kind in het water viel en bijna verdronk. Juist van die plek verwacht hij periodiek vertroosting. Een plek die allerminst houvast of vertroosting biedt, is het bed waaraan Jellema lange tijd als tbc-patiëntje gekluisterd is geweest. In die periode voelt hij zich soms angstig, gebonden aan een plek van waaruit hij maar moet raden wat er verder in de wereld gaande is. Maar hij wordt ook door die onbekendheid gefascineerd.

Plekken in Stemtest
Angst en fascinatie zijn tastbaar in het gedicht ‘Gewone dromen’. In elke strofe van twee regels wordt een nieuwe gedachte ontvouwd, gedachten die terug zijn te voeren tot het spanningsveld tussen angst om en verlangen naar het onbekende. De eerste drie strofen gaan over angst, zelfverlies en het zoeken naar houvast of je plek vinden:

Het examen waar allen maar jij alleen weet dat
en moet het nog doen allang voor geslaagd zijn –

Om een lezing te houden de zaal binnengaan
maar de tekst ben je kwijt en zelf in je hemd –

Je komt in dat huis waar de toekomst op slot ging
bij vreemden te gast en je plek is daar weer niet –

Een plek symboliseert voor de dichter alles wat houvast biedt, alles waarmee hij zich kan vereenzelvigen. In ‘Gewone dromen’ wordt dat houvast niet geboden, wat wel gezegd kan worden van het gedicht ‘Notitie bij een Friese kerkmuur’. De laatste regels van dit gedicht luiden:

vond er plek voor haar nest die
muurbij, wier goudzwart schildje,
kijk, ze vliegt op,
in het zonlicht
nu vonkt.

Deze regels suggereren dat de bij, die een plek vindt in een kerkmuur, iets van eeuwigheidswaarde presenteert. De bij staat tegenover de vergankelijkheid die het gedicht ook uitstraalt:

zeewind en regen geduldig de bouwsteen
uitsleten, blootlegden splinters
basalt, kwartsiet, van het slijkgas
de holten (….).

Maar het leven blijft doorgaan en maakt zelfs gebruik van die vergankelijkheid. Ook het woordje ‘nu’ is een sleutelwoord en heeft vaak een mystieke geladenheid in Jellema’s poëzie. Eckhart heeft hierover gepreekt: Neem ik (….) het Nu, dan is daarin alle tijd begrepen. Het Nu waarin God de wereld maakte is even dicht bij deze tijd als het nu waarin ik op dit moment spreek, en de jongste dag is even dicht bij dit Nu als de dag van gisteren.” Jellema zegt erover: “In dat Nu ziet een hogere samenhang mij aan met een gelaat.” Die hogere samenhang ziet de dichter in de vonkende muurbij die een plek vindt.
In ‘Aurora Borealis’ geeft het lyrisch subject blijk van zijn verbondenheid met een geheel andere plek:

Hoe het begon – een haast onmerkbare verkleuring,
een wolkje als eens mans hand, maar nu niet
opstijgend uit de zee, van ergens in de lege,
ijskoude poolnacht boven ons tussen de sterren
een plek.

Hij is vol verwondering over en ontzag voor het noorderlicht, dat laat zien hoe het begon, teruggaat naar de oorsprong van alle dingen. Het gedicht krijgt een mystieke dimensie door het verlangen van het lyrisch subject naar die oorsprong, naar eenwording met de schepping. Dit verlangen wordt uitgedrukt door bekende woorden uit Ed Hoorniks sonnet ‘Hebben en zijn’ te citeren:

(….) ‘zijn is de ziel, is naar de sterren kijken
en daarheen langzaam worden opgelicht’ misschien.

Er wordt ook naar de kinderjaren verwezen door Ed Hoornik te parafraseren:

 een beetje werden we toen kind, (….).

Misschien heeft de dichter aan zijn mystieke ervaring als zevenjarig jongetje teruggedacht bij het schrijven van dit gedicht. Toen zag hij “de pure lichtwording van wat zich voor mijn ogen uitstrekte”, nu is er

(….) een lichtgeboorte zo
in den beginne (….).

De dichter wil ‘woordgelovig’ zijn, zoals hij dat noemt:

(….) je zult het met het woord
zelf moeten doen en dan je voorstelling daarbij,
al deelt niemand die met je, maar geloven: dat
geeft van een soort van eeuwigheid een glimp.

Het woord van de dichter verleent ook aan dit gedicht iets van eeuwigheidswaarde. Dat is zijn houvast.

Aurora-borealis, bron: www.tourismplacesworld.blogspot.com

Authentieke poëzie
De drie gekozen gedichten uit Stemtest zijn belicht vanuit één aspect: de gehechtheid van de dichter aan een plek. Zo’n plek kan ook het gedicht zelf zijn: een voorlopige plaats van waarheid, zoals Jellema dit noemt. Plekken hebben te maken met jeugdherinneringen, door Jellema prachtig verwoord in zijn essays. Opvallend is de grote inhoudelijke overeenkomst tussen Jellema’s gedichten en die essays. Uit de essays spreekt een groot verlangen naar opheffing van alle gescheidenheid. De auteur wil samenvallen met de dingen om zich heen, met de ander en met God. Hij weet zich hierbij gericht door de mysticus Eckhart. Mystieke ervaringen tijdens de kinderjaren en een beschouwelijkheid die hij van zijn ouders heeft meegekregen, bepalen zijn verdere leven. Hij ziet de werkelijkheid als een symbool en hij creëert zijn eigen werkelijkheid, een persoonlijke mythe gericht op eenwording. Tegelijkertijd heeft hij een besef van de ontoegankelijkheid van de dingen. Dit besef komt in veel van zijn gedichten tot uitdrukking: een mystiek verlangen naar eenwording met de dingen blijft uiteindelijk onvervuld. Thema’s die Jellema in zijn essays behandelt, zijn in zijn gedichten terug te vinden: zijn verlangen naar oorsprong, naar ‘er-zijn’ en een gevoel van onaf zijn. Uit Jellema’s essays spreekt een mystieke levensbeschouwing die hij ook in veel gedichten tot uiting wil laten komen. Zowel poëzie als essays maken een authentieke indruk door de zich herhalende thematiek, de consistentie en de verbinding met Jellema’s biografische achtergrond.

Zijn plek gevonden
Een van die authentieke elementen is Jellema’s behoefte aan houvast, naar een plek. Die plek heeft hij tenslotte gevonden in het Groningse landschap, waarover hij zo liefdevol heeft geschreven en gedicht, zoals in ‘Het waait er altijd’ uit de bundel Stemtest (2003):

Op zo’n wierde, zeiden we, dicht
bij zo’n eeuwenoud kerkje, zo
zouden ook wij wel – en wezen
elkaar de symbolen: zandloper,
vlinder, als ring om namen
de slang die zichzelf in de staart bijt.

De gedachte begraven te willen worden op een wierde blijft onuitgesproken en suggereert tegelijkertijd een verlangen naar opgaan in de natuur. Dit dichterlijk verlangen is uiteindelijk vervuld, zoals ook blijkt uit de tekst op zijn grafsteen (overgenomen uit de in 1991 verschenen bundel Ongeroepen):

(….) en wij zijn hier
om het te noemen tot wij niet meer zijn.

Oosterhouw in Leens, Foto: Kees Plaizier, 1-7-2009

Literatuur
Borchert, B., Mystiek. Het verschijnsel, de geschiedenis, de nieuwe uitdaging (Haarlem 1994).
Encyclopedie van de mystiek. Fundamenten, tradities en perspectieven (Kampen 2003).
Jellema, C.O., Verzameld werk. Gedichten en essays (Amsterdam 2005).
Peters, A., ‘Het lied tilt ons uit boven ons vergankelijkheidsbesef. Interview met dichter-vertaler C.O. Jellema’ in: Optima 18 (2001) afl. 8, 59-80.
Plaizier, C., C.O. Jellema, dichter en denker – spanning tussen beeld en idee (scriptie Open Universiteit Nederland, Heerlen 2007)

Bijlagen

GEWONE DROMEN

Het examen waar allen maar jij alleen weet dat
en moet het nog doen allang voor geslaagd zijn –

Om een lezing te houden de zaal binnengaan
maar de tekst ben je kwijt en zelf in je hemd –

Je komt in dat huis waar de toekomst op slot ging
bij vreemden te gast en je plek is daar weer niet –

Jij of die ander die elders met anderen
het betere leeft wat geen naam heeft en beeld blijft –

Spijts het gedachten verplaatsende landschap (Toscane)
waar ben je de noodzaak Spinoza te lezen wie ben je –

Wordt de dolende geest van de doden niet dringend
gestoord door dat draadloze praten van ons in de ether –

In zelfkennis houdt zich de godheid verborgen
of heeft de vlinder nog weet van zijn rups?

NOTITIE BIJ EEN FRIESE KERKMUUR

Toen in de Eifel vulkanen uitdoofden,
hun kraters zich vulden met water,
tot tufsteen de lava verhardde,
Batavieren ons land binnenkwamen,
voor handel bevaarbaar de grote rivieren,
hier aan de kust in hutten gewoond werd
van vlechtwerk en leem, een godshuis
voor eeuwig echter gemetseld
om uitzicht op hemel wou zijn en
zeewind en regen geduldig de bouwsteen
uitsleten, blootlegden splinters
basalt, kwartsiet, van het slijkgas
de holten – toen

vond er plek voor haar nest die
muurbij, wier goudzwart schildje,
kijk, ze vliegt op,
in het zonlicht
nu vonkt.

AURORA BOREALIS

Hoe het begon – een haast onmerkbare verkleuring,
een wolkje als eens mans hand, maar nu niet
opstijgend uit de zee, van ergens in de lege,
ijskoude poolnacht boven ons tussen de sterren
een plek. We keken ervan op, zo anders dan
boven de wegkruisingen thuis een neongloed,
en vreemd, we zagen er de sterren nog doorheen.
Snel groeide dan die vlek uit tot een brede,
de ruimte overspannende geelgroene band,
zich rekkend, omkrullend, wentelverwaaiend
een baaierd die geen licht gaf, het licht was,
een stralensluier die het duister duister liet.
Het greep ons aan, kan ik je wel vertellen, wij,
in onze warmste kleren, hielden het niet uit
te blijven staan en, liggend op het achterdek
– het schip voer rustig tussen kust en eiland door –
dachten ‘zijn is de ziel, is naar de sterren kijken
en daarheen langzaam worden opgelicht’ misschien.

Noem het ontzag voor wat we zagen voor het eerst,
een beetje werden we toen kind, voor ons gevoel
was onze aarde weer plat vlak waarop de zee,
de rotskust en het eiland hoedend overwelfd
door weer de hemeltent, een koepel die het schijnsel
doorliet van gene zij, en wat wij wisten over
geladen deeltjes afgestoten door de zon,
over de poolmagneetkracht, gloeiend dampkringgas,
werd spoorloos in ons kijken uitgewist. Nee, foto’s
heb ik niet willen maken, want geen sluiter, denk ik,
hoe lang ook open vangt een lichtgeboorte zo
in den beginne op, je zult het met het woord
zelf moeten doen en dan je voorstelling daarbij,
al deelt niemand die met je, maar geloven: dat
geeft van een soort van eeuwigheid een glimp. – Tijd vliet,
hier wordt het lente nu, narcissen bloeien, knoppen
van de kastanje zwellen; soms bewaart één uur
een lengte levenslang, zoals daar ′s nachts aan dek
dat stervenskoude onder ontelbare sterren
met toen dat licht, en wij, ziende hoe het begon.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *